RSS

Kan dat? (Manon Uphof)

Het is niet alleen een ingewikkeld pakket aan ervaringen, als je met incest en met misbruik in aanraking bent gekomen, het duurt ook nog eens gódvergeten lang voor je úberhaupt weet wát het is, dán duurt het héél erg lang voordat je achter bent wat dat heeft gedaan met je eigen emoties, gevoelsleven, en hoe je naar de wereld kijkt en hoe je daar in staat, en als je dan het gesprék wil aangaan als je dan wil zeggen: ik wil dat dit onderdeel wordt van een bredere wereld dan alleen mijn wereld, ik wil dat dit onderdeel wordt van een samenleving, dat deze verhalen naar buiten kunnen komen, dán heb je nog eens te maken met de weerstand van die wereld, die daar niet zo’n zin in heeft en als je dan een schrijver bent zoals ik, en dan wil ik ook nog graag in een boek daar iets mee kunnen doen, en ik wil dat dat boek goed en waardevol is, dan heb je nóg een horde omdat in de literatuur dezelfde mechanismen werken: “we zitten hier niet op te wachten, dit is geen onderwerp voor de literatuur, dit is te zielig, te naar, te ingewikkeld, ga maar naar een psychiater of naar een psycholoog, of zoek hulp of…” (interviewster: hebben ze dat letterlijk tegen je gezegd?) ik denk dat alles wat je kán zeggen daarover, wat je kan bedenken daarover… is natuurlijk wel ooit voorgekomen en gezegd (interv: was dat jouw angst ook, dat dat zou worden gezegd?) ja, en misschien ook wel omdat ik dat zelf dacht en vond, in dat opzicht kan je ook makkelijk veranderen in je éigen grootste vijand, het was vooral ook een heel erg gevecht met mijzelf, wat ga ik hiermee doen, met dit materiaal, met deze verhalen (……..) met al dat zwijgen, met al dat verhullen, en wat ga ik doen in een wereld waarin dat soort verhalen steeds regelmatiger naar boven komen, waardoor we allemaal beginnen te begrijpen; dat is te veel om steeds af te doen als incidenten, er is iets in het systeem mis, en daar moeten we naar kijken, en tegelijkertijd is het mechanisme om het steeds op te delen en te vermalen tot iets individueels, iets uitzonderlijks, iets aparts, iets wat niét zo vaak voorkomt, is zó krachtig dat het keer op keer gebeurd, en dat is heel ingewikkeld, om daar wat mee te doen… (interv: tegengewicht te bieden, om echt iets anders te laten zien en in een breder verhaal te plaatsen) Ja.

 
Een reactie plaatsen

Geplaatst door op augustus 14, 2019 in Uncategorized

 

Tags: ,

Bankastraat

Omdat mij binnen de gedragstherapeutische gemeenschap Idee 1 de heilzaam geachte opdracht was gegeven om ‘s-morgens om 8.00 uur voor alle inwoners de tafel te dekken, en ik geen zin had op dat vroege uur uit mijn bed te komen, of er de therapeutische zin niet van inzag, werd mij de keus gegeven: ofwel ik bleef intern en voerde mijn opdrachten uit, ofwel ik ging voortaan verder in dag-therapie.

Aangezien ik eigenlijk de zin van het inwonen ook nooit echt had ingezien – maar dat noemde men aldaar: ‘Niet úw gedachte, maar de gedachte van uw ziékte’- besloot ik diezelfde dag nog een woning te gaan zoeken. Mijn vinger liep de advertentie-kolommen van de Haagsche Courant af en vond een kamer met betaalbare huurprijs.

Het schemerde al toen ik per fiets de schimmige, geheimzinnig in de wind wuivende tuinen van Psychiatrisch Centrum Rosenburg en haar rond deze tijd fauneske bewoners verliet.

Bij donker arriveerde ik op het adres. Bankastraat 78, een hoekhuis. Ik deed mijn fiets op slot en belde aan, wachtte tot de deur werd geopend, toen vanachter een stem sprak. Ik keek om maar zag niemand, maar net toen ik mij wilde terugdraaien viel mijn oog op een geblutste, zwarte pocherslee. In het duistere interieur zat een schim verscholen, waarvan de hand losjes uit het het open raampje hing, met een sigaret tussen de vingers en Humphrey Bogard-achtig trok sigarettenrook op, als in de zwart-wit film.

-‘Zoek je een kamer?’ klonk het samenzweerderig. In het plat Haags accent had het laatste woord geklonken als kamâh.

-‘Ja,’ zei ik, licht overrompeld.

De schim opende het autoportier, stapte uit en toonde zich als een jongeman van ongeveer mijn leeftijd, met een onaangename uitstraling. Zijn onbetrouwbaarheid las ik af aan hoe hij mijn slachtoffergewilligheid probeerde in te schatten. Ik probeerde niets te laten merken van mijn antipathie.

‘Zit je hier goed,’ zei hij, ‘kom maar mee.’

Hij opende de deur van het huis en stapte naar binnen. Ik volgde hem, sloot de deur achter ons en ging achter hem een donkere trap op, waarbij we twee verdiepingen passeerden en toen we helemaal boven waren opende hij een deur, stak zijn arm schuin naar binnen en klikte op een lichtschakelaar. Hij duwde de deur verder open en deed een stap achterwaarts om mij, met een uitnodigend armgebaar voorrang te verlenen. Terwijl ik naar binnen ging voelde ik hoe zijn ogen mij van opzij scherp opnamen.

Wat een verrassing! Het zwakke lamplicht toonde een mooie, behoorlijk grote zolderkamer met gedeeltelijk schuine zoldering en lage, tot aan mijn knieën reikende raampjes die zicht boden op de Bankastraat. Op de vloer lagen in goede staat verkerende, biezen matten.

Voor iemand die tot nog toe slechts een klein kamertje had bewoond was het een indrukwekkende ruimte. Dus ik besloot snel tot huur over te gaan. Er was geen huurcontract, alleen de gevraagde maandhuur van 250 gulden. Ik noteerde de louche huurbaas zijn bankrekening en gaf hem 100 gulden voorschot, waarna hij me de sleutels overhandigde. Weer buiten gingen we uiteen. Ik stapte op mijn fiets en reed terug naar Rosenburg, terug denkend aan de hem, wiens gezicht me zo had tegengestaan. Maar ik zou de therapeutische staf morgen kunnen verrassen met mijn direct succes en mij een stuk onafhankelijker van hen maken, vooral van mevrouw Goei.

De buurt heette ‘Archipel.´ Couperus had er vertoefd en dat rook je als het ware nog, bij ‘vleugjes,’ als in Achterberg’s gedicht. Voortaan zou ik niet meer wandelen maar flaneren.

Dat zou ik ook doen, de volgende ochtend, die vol zon en blijde verwachting was.

Ik had van de therapeutische staf toestemming gekregen een dag therapie over te slaan om….en was zowaar op tijd uit bed gekomen. Had de tafel gedekt en met de andere bewoners ontbeten. Mevrouw Spruyt had ik onnadenkend gevraagd de boter aan te reiken. Zij had onzeker en zenuwachtig gelachen, haar hand uitgestoken en weer teruggetrokken, uiteindelijk de anderen machteloos aangekeken om hulp. Waarna mevrouw van Weerden mij de botervloot had aangereikt. Zij had géén smetvrees, zij had straatvrees.

De stoel van meneer Pieters was leeg gebleven. Hij stond, had ik eerder gezien, maniakaal zijn handen te wassen in de keuken, als hij vrijwel de hele dag zou doen als de therapeuten hem niet geregeld zouden betrappen en op hem inpraten. Haalde ik hem wel eens voor de geest dan zag ik hem altijd op de rug, bij het aanrecht; een kleine gestalte in ribfluwelen broek, gebreide spencer, en een kale schedel met glimlicht en onderaan een dun haarkransje. Het geluid van de lopende kraan erbij; een beverige jongen van een jaar of 50 waarachter ik een soort moeder vermoedde, nog erger dan de mijne.

Sofia verorberde met haar sensuele lippen een sappige sinaasappel, het sap droop langs haar mondhoeken, waarbij ze zich zeer bewust was van de erotische uitstraling die het op mij en de andere mannen had, en van het ….. van de dames.

Ik had gevraagd of ik de hamvraag mocht stellen, en terwijl iedereen een beetje leek te bevriezen liet Hans weten mijn flauwe woordspeling te hebben begrepen door mij het schaaltje met de gesneden schouderham aan te geven.

Na afloop had ik *&^%$# de bus genomen en nu legde ik lopend het resterende stuk af, de brede straat die zich versmalde (*&^%R. De witte …. van de voornaam ogende huizen blonken in het licht, overal waren leuke, kleine winkeltjes.

Bij het huis aangekomen stak ik met bijzonder voornaam gevoel de sleutel in het sleutelgat en stapte ‘mijn’ herenhuis binnen. Maar tot mijn schrik onthulde het binnenvallend daglicht een verschrikkelijke binnenstaat die mij de vorige avond geheel was ontgaan. Trappen en overlopen nemend noteerde ik overal los gelaten pleisterwerk, bloot liggende rieten ondergronden/bovengronden van de plafonds, stof en vuil en vuil…*&^%$

In een open keuken op de tweede verdieping, waarvan ik had begrepen dat hij tot gezamenlijk gebruik diende, en die bruin was van gedurende lugubere levensjaren aangekoekte kook- en levenswalmen, hingen luikjes aan één scharnier aan verzakte muurkastjes, en trok je zo’n luikje open dan ontwaarde je enkele verdacht stil zittende of juist wijdsbeens, quasi-onbekommerd rondkakkende kakkerlakken, hun voorbereidingen tot spoedig plaats te vinden obscure en nooit vermoede rituelen even stilleggend, omdat jij het anders zou zien.

Maar mijn appartementje zélf zag er nog steeds aantrekkelijk uit.

Enige dagen later bracht ik mijn spullen over, die stonden opgeslagen in een kamer van mijn zus in Delft, waar ik vóór mijn opname in Psych centrum Rosenburg had gewoond, en ik werd, constateerde ik met plezier en zonder woonvergunning, inwoner der residentie. 

De jongen heette Harry. Hij had van de in Amerika verblijvende eigenaar toestemming hebben gekregen de kamers van het pand te verhuren. Dat vertelde mij zijn twee jaar jongere broer Henk. Harry had hem bij onze volgende ontmoeting meegenomen. Hij was een stuk sympathieker dan zijn broer en wekte de indruk het als zijn broederlijke taak te beschouwen Harry’s bestaan een beetje in goede banen te geleiden. ‘Goede’ natuurlijk in de ruimere betekenis van het woord, je kon geen ijzer met handen breken, die indruk kreeg ik òòk wel.

De drie kamers op de eerste verdieping en de vier op de tweede verdieping bleken verhuurd aan verschillende jongens en meisjes.

De eerste van hen die ik leerde kennen, was Ernst. Een Indonesische jongen met een opmerkelijk opgeruimd karakter die regelmatig enthousiast nieuwe kledingstukjes zou komen tonen.‘Vind je dit geen geil sjaaltje?’ vroeg hij dan. ‘Is dit geen geil hemd?’ Hij droeg zwarte puntschoentjes en misschien gaf dat wel aanleiding tot mijn aanschaf van nét zulke schoenen, die zo dissoneerden/niet pasten bij met mijn brede heupen en brave moedersjochie-hoofd. Ook kocht ik in die tijd een strakke nep-lederen broek, reuze Herman Brood-achtig, mij in een winkel in het Haagse centrum aangepast door een geamuseerde, door laaghartige winkelmeisjes van mijn leeftijd toegejuichte, oudere homo. Een broek die me belachelijk deed uitzien, zo vertelde mij dan ook openhartig Patricia, een Rosenburg-vriendin, toen ik iemand anders in Idee 1, met nét zo’n broek, ridiculiseerde om datgene wat ik bij mijzelf niet wilde onderkennen.

Die Ernst, dat was een sympathieke jongen. ‘De enige gezond denkende hier,’ noemde ik hem ooit toen hij voor de spiegel zijn uitgaans-verschijning stond te keuren.

Op een avond hadden hij/Ernst en de twee broers me overgehaald om mee de stad in te gaan. Achterin Harry’s licht gehavende pocherslimo, op een hoge, verende bank, gleden we listig en vaseline-achtig door de Haagse straten. Ik maakte voor het eerst kennis met het binnencentrum van de stad.

Ze namen de meisjes in het huis door, de ‘chicks.’ Ik had die meisjes nog niet ontmoet. Of ze te neuken waren, daar ging het over. De kansen werden miniem geacht. Er bestond consensus dat hes stuk voor stuk trutten waren Het was zonneklaar dat zij al eerder door hén waren afgewezen. Of niet eens zouden durven.

Neuken werd door hen ketsen genoemd en ik, die het nog nooit had gedaan, probeerde enige afstand van het geklets te bewaren. Om er niet helemaal buiten te vallen leverde ik nu en dan een laag gedoseerde bijdrage aan de tot stand houding der atmosfeer. Maar ik had een hekel aan uitdrukkingen als ‘chicks,’ of ‘chickie neuken.’ Voor mezelf noemde ik dat: ‘neuken mét,’ dat leek me, waarschijnlijk mijn verkrachtingen onbewust indachtig, wel zo humaan. Hoewel ik ook wel al was gaan merken dat die instelling me veranderde in het lulletje rozenwater dat iedereen in me zag, met name de meisjes die ik wilde respecteren.

‘Ketsen…’ In gedachten zag ik twee stenen vonkend tegen elkaar vliegen zonder tot elkaar door te dringen, met een vuur dat spatte, niet door liefde of wederzijdse passie maar door frictie. Ik liet weten nog nooit van het woord te hebben gehoord.

-‘Hoe noemen júllie dat dan, in Brabant?’ Want ze hadden mijn zachte g al opgemerkt.

‘In Limburg noemen we het poppen.’

-‘Poppen…hahaha! Hé, moet je horen hoe ze bij de reserve-Belgen ketsen, haha……….zeg het nóg ‘s…’

In de Prinsestraat stopte Harry om een café te bezoeken. Café Cremers. Een bezoek dat van korte duur zou zijn, want ze kenden Harry er maar al te goed. Na een eerder bezoek waarbij hij zich agressief had misdragen was hij er niet meer welkom. In de gespannen situatie die ontstond – Harry vocht de beschuldiging aan op een wijze die hem juist herbevestigde – broedde ik naarstig op een excuus om mijn hielen te lichten. Dat bleek er op neer te komen – laf en bangelijk kwam het uit mijn mond – dat ik nu meteen naar een zowaar bijna vergeten afspraak moest. Dat leek Henk, die met een arm over zijn briesende broers schouder diens borst goede wil stond in te wrijven, een goed idee want hij knikte fanatiek van ja.

Maar nu kon ik niet naar het huis omdat ze, mochten ze daar straks ook heengaan, me daar zouden aantreffen. Ik besloot koffie en appelgebak te gaan nuttigen in ’t Goude hooft. Ik voelde me daar altijd redelijk op mijn gemak, in de neutrale onderlinge atmosfeer van de bedaagde, Haegsche burgerij, en de afwezigheid van leeftijdgenoten, van meisjes, en de daarbij behorende seksuele spanningen die ik niet aandurfde. Ouwbollig als een Anton Pieck-personage zat ik er mijn tijd uit.

——————————————————————————————-

Dat ik eigenhandig mijn broeken inkortte, knopen aan overhemden naaide – dat soort dingen baarde opzien. Ikzelf vond het eigenlijk ook wel bijzonder. Blijkbaar vertoonde ik een vreemd verlangen om opzettelijk het in andermans ogen het ‘onmannelijke’ te demonstreren. Misschien als reactie op de clichématige rolverdeling tussen mijn vader en moeder. Of door de feministische invloed van zus M. Of door de tijdsgeest, die maakte dat sommige links georiënteerde mannen opeens in tuinbroeken en op klompen gingen rondlopen en ‘kwetsbaar’ wilden zijn, niet in de laatste plaats omdat je daardoor bij sommige, geëmancipeerde vrouwen makkelijker ‘erin’ kwam. Misschien ook door een genetische complicatie en predestinatie voortvloeiend uit eiwit-consternatie.

Daarbij, er was niemand anders die het voor mij deed, geld om het werkje uit te besteden had ik niet.

(Zelfs in de gedragstherapeutische gemeenschap zat ik in navolging van de oudere, mij door hun burgerlijke inslag zo geruststellende, moederlijke dames, met hun weinig erotiserende smet-, straat- of pleinvrees, demonstratief te breien, wat mijn begeleidend psychiater René P., merkbaar na overleg met de staf, dan maar ‘erg dapper’ vond. In die tijd besloot ik ook te gaan ‘tekenen’ met naaigaren in papier, waarin ik niet de eerste en enige zou blijken te zijn geweest. Het leek wel of ik de vrouwenemancipatie zo nodig moest steunen door mee te helpen de reputatie van het textielwerk uit te tillen boven die van het wat denigrerend predicaat ‘nijverheid,’ hoewel dat voor mijn eigen maaksels een nog te flatterende term was; ik hanteerde een techniekje zonder werkelijk iets te zeggen hebben)

Al vrij snel kwamen ze spiksplinternieuwe, duur uitziende en ongetwijfeld in de Spuistraat geripte broeken aandragen met het verzoek deze voor hen in te korten. Daar had ik dus geen zin in. Een béétje teelballen-bewustzijn huisde nog wel in mij.

Op een avond, toen een stormachtige wind de regen kletterend tegen de ramen joeg en het licht van de straatlantaarns uitvloeide over het vensterglas, waarmee het uitzicht op de huizen aan de overkant zich kaleidoscopisch vervormde tot kleine schilderijtjes van Hundertwasser, hoorde ik op de gang hoge meisjesstemmetjen. Ze kwamen dichterbij. En zonder kloppen ging mijn kamerdeur open.

De drie meisjes… Ik was nieuw in het huis, dus nieuwsgierig zochten ze me op. Zowat wang aan wang stonden ze binnen de omlijsting van de deur me op te nemen, drie gezichten, synchroon kauwgom kauwend. Ik hield er rekening mee dat de honger in hun ogen weldra plaats zou ruimen voor verachting. Mijn zogenaamd flegmatische afstandelijkheid diende ertoe mijn angst onzichtbaar te houden, door te suggereren dat ik erboven stond, en …..self fullfilling spiracy blabla.

‘Nog niet…,’ dacht ik bij mezelf, maar het komt zo. Deze stijve hark zijn gereserveerde houding weerhield hen ervan binnen te komen. Maar ze gingen ook niet weg. Ze richtten hun aandacht weer tot elkaar en bespraken een blijkbaar kort geleden gedeelde ervaring. Het roodharig meisje merkte enthousiast op: ‘je tanden gaan er zo lekker los van zitten…’ Het bevreemde me. Hoe zou dat aanvoelen, lekker los zittende tanden? Ik herinnerde me hoe ik als kind melktanden verloor die soms nog een tijdje aan een soort draadje bleven bengelen.

Het was een losgeslagen groepje. Ze hadden blijkbaar geen last van een moederlijke of vaderlijke of anderszinse autoriteit en vertoonden een labiliteit die ik, zo formuleerde ik het voor mijzelf, niet aan durfde. Ikzelf hield me voortdurend dwangmatig onder controle, benijdde hun vrijheid, maar zou tegelijkertijd die vrijheid niet op hun wijze willen navolgen. Evengoed lééfden ze meer dan ík, meende ik, op welke, onverantwoordelijke wijze dan ook. Ze toonden meer lef, alleen al door hun – zou mij later duidelijk worden – cocaïnegebruik (waar mijn begeleidend psychiater voor had gewaarschuwd: ga niet met hen mee want dan ben je ‘nog verder van huis’ wat eigenlijk, als daarmee het ouderlijk huis zou worden bedoeld, geen slecht idee zou zijn), en hadden lak aan wat mijn burgerlijke, nuffige moeder mij verbood en mijn vader… . Hun vrijheid scheen groter dan de mijne en hun opgedane ervaringen groter. Ik zou bij hen iets kunnen proeven en dat dan slechts selectief ter epersoonlijke verrijking kunnen overnemen.

Ik had er een handje van mijn onervarenheid te verbergen achter een schijn-volwassenheid, die enkel kon gedijen bij afstandelijkheid en die me onbereikbaar en eenzaamheid maakte. Zij waren minder eenzaam want zij hadden mekaar. Hadden ze mekaar?

Rosie begon uitdagend haar handen voor mijn neus te zwaaien. ‘Jij bent helemaal niks’ schreeuwde ze, ‘helemaal niks!’

Ik had mij aangeleerd een soort stoïcisme te demonstreren gedurende de vernederingen, hetgeen mensen tot groeiende ergernis of juist uitgelaten hilariteit dreef, afhankelijk van hun karakter en de mate van angst die door mijn pose heen schemerde. Rosie toonde zich onzeker omtrent mijn sterkte. Dat was ook mijn enige verdediging: actief er voor zorgen dat men geen hoogte van me kreeg.

Een van de meisjes, mooi en mysterieus, heette Lidwien. Ze bewoonde de kamer naast de mijne, die tot ontmoetingsplaats voor haar en de andere twee diende. Ze had op een of andere manier een volwassener uitstraling dan de anderen. Een soort ‘Nico’ van the Velvet Underground, dacht ik bij mezelf, op een missie om haar schoonheid moedwillig te vernietigen, geheel zoals de adolescenten-romantiek en l’art de decadence mij in mijn brave jongenstrui voorschreef. Een keer vertelde me Ernst waardoor, volgens hem, haar drugsgebruik was ingegeven: ‘Ze kan geen kinderen krijgen,’ zei hij, maar dat leek me wat kort door de bocht, al kan ik me daar achteraf in vergist hebben.

Ik kan me niet herinneren dat ze me ooit een blik waardig keurde. Behalve die ene keer dat ik laat terugkeerde van gedragstherapeutisch uitvalbasis Idee 1. Ik passeerde haar kamer en door de openstaande deur zag ik haar in haar droevig eentje op de kussens in een hoek van haar kamer zitten, met door tranen uitgelopen mascara, een droeve plaat afspelend op haar pick-up. Alsof ze liefdesverdriet had, opgelopen in dat leven dat voor mij steeds afgesloten stond. Ze keek naar me, ze had me natuurlijk al gehoord, en ik zag opeens een gedachte gloeien in haar ogen: ‘neuken is neuken en dáár staat er een!’ Dus sprak ze me aan.

Er volgde wat nerveus gehaspel van mijn zijde en vrij snel liet zij haar avances geïrriteerd en beschaamd om zichzelf varen. Ze sloeg haar ogen neer en keerde terug bij zichzelf. Dat ze zó ver had kunnen afglijden…

Na die avond zou ik haar nooit meer in het huis zien.

Ik weet niet meer hoe hij heette…Fors gebouwd. Lang blond haar. Droeg altijd, binnenshuis en buitenshuis, een lichtbruine, harige jas… Ik zou hem met terugwerkende kracht alsnog willen uitroepen tot Huis-Yeti.

Hij was niet helemaal helder in het hoofd. Dommig. Maar ook innemend door een kinderlijk enthousiasme en een verbluffende eerlijkheid. Dat lag dicht bij de naïviteit waarover ik Harry zich al een keer had zien verkneukelen.

Zijn gebogen gestalte sleurde altijd een gitaar met zich mee waarop hij echter amper kon spelen.

Met grote geestdrift kwam hij regelmatig nieuwe aanwinsten tonen die hij leek te beschouwen als intense levens-geschenken, al ging het maar om een achtergebleven Chinese kool, geraapt van de keien van de verregende zaterdagmarkt, of een halfje wit en een pot aardbeienjam, betaald uit de opbrengst van zijn ‘muzikale’ optredens.

Yeti zich wel eens iets ontvallen over lijpe Harry. Dat deze´helemaal verkeerd bezig’ was, ‘weet je wel…’ als later bij Koot en Bies oudere jongeren.

Gedurende een nacht dat ik in hun gezelschap in de keuken bier zat te drinken kwamen er berichten van de zojuist van een avondje stappen in het Scheveningse ‘Hans en Grietje’ terug gekeerden. Harry had er een gevecht veroorzaakt en het gezelschap sprak er nu kwaad over. Niettemin vonden ze snel consensus: Harry was eigenlijk tóch een goeie jongen. De mallotige huis-Yeti, (nu ik terugdenk zulk een overeenkomst tonend met Neil Linzensoep (‘love, peace and vegetables’) uit ‘The Young Ones,’) merkte op dat ie inmiddels vast spijt van zijn daden had en nu ‘heel erg aan het huilen’ was.

Men knikte maar al te graag van ja maar wekte toch vooral de indruk doodsbang te zijn voor het moment dat hij straks misschien hiér zou komen…

In gedachten zag ik hem grijnzen om de macht over de angstige anderen die hij had afgedwongen.

Op een avond verzocht de Yeti mij hem te vergezellen bij zijn cafe-optredens. Ik zou dan voor hem met de pet kunnen rondgaan. Ik voelde bij die uitnodiging een mengeling van schuchterheid en dédain, maar ook nieuwsgierigheid naar een nieuwe, onbekende ervaring. Ik stemde in.

Er waren veel cafés op de Denneweg maar in geen enkele wist de Yeti met zijn twee akkoorden-spel en schaamteloos schreeuwstem waardering te oogsten. Met plaatsvervangende schaamte, aangevuld met schaamte om mijzelf, gloeiend op het uit mijn brave katholieke jongenstrui-trui tevoorschijn komend hoofd, liet ik de pet in mijn hand maar werkeloos hangen. Waarop hij mij geïrriteerd maande rond te gaan. Ik deed wat halfslachtige pogingen daartoe, verrichte wat onduidelijke handelingen die er de schijn van droegen.

Na drie cafés te hebben bezocht, stonden we weer op straat en de Yeti overlegde even met zichzelf. Daarna riep hij me op mee te gaan naar de Prinsestraat. ‘Hier op de Denneweg zit godverdomme alleen maar kak!’

In de Prinsestraat bleek het publiek inderdaad minder ‘Haagsch’ maar de ontvangst was weinig beter. Weer schroomde ik met de pet rond te gaan en de Yeti rukte me hem geërgerd uit de hand om te demonstreren hoe het moest. Van één verdwaalde, intimideerbare braverik, die ik wat op míj vond lijken, met een Patricia-achtig meisje bij zich, ving hij wat geld.

Weer buiten gekomen liet hij weten dat hij het helemaal met me had gehad, waarin ik hem vanuit zijn oogpunt geen ongelijk kon geven. Hij liep weg, stapte even verderop een nieuw café binnen. Ik keerde met gemengde maar uiteindelijk opgeluchte gevoelens huiswaarts.

Meisje onder douche.

Op een dag bezocht Harry mij om me een vriend voor te stellen die wegens zijn komende afwezigheid de betaling van de huur zou waarnemen. Een vrij kleine jongen met lang haar en een hoofddoek.

Jongens met mes tram spui broodmes waarmee je hooguit een boterham kon besmeren

Hans en Grietje Scheveningen

Idee1

Ik had haar nog nooit gesproken. Zij liep lijp op mij af, haar vriendin volgde haar, en ze zei tegen me; ‘Ik ben bang voor mannen. Maar niet voor jou!’ Met een armzalige triomf in haar ogen draaide ze zich weer om.

(ooit, ongeveer 10 jaar geleden aan begonnen en nooit afgemaakt)

 
Een reactie plaatsen

Geplaatst door op juli 7, 2019 in Uncategorized

 

I.

Met het verstrijken van de tijd krijg je overzicht, en met het overzicht komt het inzicht. Bijvoorbeeld in het karakter van zus I.

Ergens in het jaar 2004 verbleef ik met haar in het ouderlijke huis. Onze moeder was in verband met beginnende dementie opgenomen in ziekenhuis, voorheen ‘de Goddelijke voorzienigheid,’ thans ‘Maaslandziekenhuis’ te Sittard.

Ik vertelde haar van het seksueel misbruik dat mij in mijn kindertijd was overkomen. Althans, ik vertelde haar van de eerste keer, toen ik negen jaar oud was. Zij luisterde, af en toe zei ze ‘ik begrijp het,’ en dat was het dan. Geen aanraking, geen troostend woord – niets. Zij hoorde het aan met de bovenarmen tegen het lichaam geklemd (altijd bevangen door die emotionele koude…) en één onderarm omhoog gestoken, in haar hand de sigaret. Beheersing, doorgevoerd tot in het rigide.

(Ik heb haar later in een boze e-mail aan zus M. een keer een koudbloedig reptiel genoemd. In een daaropvolgende e-mail van haar aan zus M. liet ze weten over mijn onvriendelijkheid ‘helemaal niet verbaasd’ te zijn, met de toevoeging ‘van je familie moet je het hebben.’ Ja, zeg dat wel, mevrouw! Zij heeft overigens nooit geweten dat ik die mail onder ogen heb gekregen.) Ik heb mij wel eens afgevraagd of zij om die reden misschien wel de érgste dingen van alle familieleden overkomen is, erger nog dan zus G. of ik overkomen zijn. Ik weet niets van haar (behalve iets over een vriend die zelfmoord pleegde, dat heb ik heel heel lang geleden van zus M. gehoord. Ik hoef het inmiddels ook niet meer te weten)

Goed, dat was de receptie van mijn verhaal toen, in de Geleense huiskamer.

(Die trouwens minder erg was dan die van broer R., die ik het een keer over de telefoon wilde vertellen maar voor ik iets kon uitbrengen schoot ik in een huilbui, met als gevolg dat mijn broer me uitzinnig van woede toesnauwde daarmee te stoppen. Ik werd in één klap ijskoud. Zo koud als mijn familie wil dat ik word.

Mijn zus M. flikte me ook een keer zoiets toen ik iets kwijt wilde over mijn pijn en verdriet met betrekking tot het alleen opgroeien tussen twee in een onderlinge koude oorlog verwikkelde ouders. ‘En nu houdt je je mond!’ schreeuwde ze me toe.)

Toen de volgende dag twee (mij onbekende) blonde familieleden van moeders kant ons ouderlijk huis bezochten en het gesprek bij toeval op pedoseksualiteit kwam, liet zij zich gericht ontvallen: ‘die zouden de doodstraf moeten krijgen.’ Daarbij wierp zij verwachtingsvol een blik op mij. Een reactie van mijn kant bleef vanzelfsprekend uit. Ik heb wat beters te doen dan die ‘bijdrage’ honoreren met dankbaarheid. Ik zit niet te wachten op wat onbekende, waarschijnlijk al gestorven daders zou toekomen, maar op wat een slachtoffer toekomt, in casu ik, om heel precies te zijn.

En dat was het dan… Erna veranderde he-le-maal niets! Een leven lang had ik, als dit in Frankrijk wonend familielid het moederland bezocht, of wanneer ze me over de telefoon sprak, moeten aanhoren hoe een vervelend en verwend jochie ik vroeger wel niet was. Nimmer werd ze moe het te memoreren, nimmer.

Dus de eerstvolgende keer – ik hoefde er niet lang op te wachten – kreeg ik het in een telefoongesprek opnieuw onder mijn neus gewreven. Toen gaf ik voor het eerst uiting aan mijn verontwaardiging: ‘Hoe dúrf je?!!’ riep ik, ‘mijn leven lang al krijg ik dit van je te horen: hoe een verwend, vervelend jochie ik wel niet was, steeds en steeds weer.’ Maar mevrouw ontkende alles. Enige consideratie m.b.t. mijn misbruik en mijn moederziel alleen opgroeien tussen twee ouders die elkaar in heftig woedende koude oorlog gruwelijk trouw bleven, kwam niet in haar op.

Pas bij de volgende ontmoeting ging haar een lichtje op. Ze begon weer als vanouds: ‘Jíj was vroeger een verwend, vervelend jo….’ en toen, toen hoorde ze zichzelf het zeggen, herinnerde zij zich opeens mijn woorden, en zij hield zich in. Eindelijk, eindelijk had mevrouw het in de gaten. Ik had haar op een gelegenheid tot het verkrijgen van een weinig zelfinzicht getrakteerd. Niet dat haar mening nadien zou veranderen, alleen, ze zou zich voortaan inhouden.

Ooit, ik was een jaar of 17 oud, zat ik met haar en haar man Roger, bij wie ze in aanraking was gekomen met wat minder burgerlijke en calvinistische opvattingen dan die ze van haar moeder had meegekregen, in ons ouderlijk huis in Geleen aan tafel. Ik mij liet uithoren over mijn avontuurtje met het meisje Yvonne. Ik sprak er open over.

Na afloop zei ze: ‘Tóch mag ik je wel.’ Ik grapte terug: ‘Eerst niet dan?’ Nooit ben ik vergeten hoe ze daarop reageerde: zwijgend keek ze me aan, met die veelbetekenende uitdrukking in haar ogen die zeiden: ‘Nee, eerst niet.’

Bijna een halve eeuw later werd ik nóg een keer gezegend, mocht ik nóg een keer zo’n geweldig cadeau in ontvangst nemen, toen ik met haar en zus G. over de Rotterdamse Blaak wandelde, van zins een kubuswoning te bezichtigen. Vanuit het niets hoor ik haar opeens tegen me zeggen: ‘Jij hebt ook góeie kanten.’ Ik wist niet wat ik hoorde. Ik bedankte haar in de stijlvorm waarvoor ze weinig fingerspitzgefúhl bezit: die der ironie.

Laat ik eens verder teruggaan, naar de oudste herinneringen, en dan eerst deze, die mij een leven lang is bijgebleven:

Ik ben een kleine jongen en zit op de grote tafel in de achterkamer. Mijn gehandicapt zusje Irene en ik worden door moeder en zussen voorbereid om naar bed te gaan. We worden uitgekleed. Ik doe mijn armen omhoog en moeder en zus M. trekken getweeën aan mijn trui om hem van me af te stropen. De rand van de halsopening blijft eerste achter mijn kin steken, daarna trekt hij mijn bovenlip omhoog (het bovenste rijtje tanden wordt ontbloot), dan blijft ie haken achter mijn neus en ten slotte moet hij van mijn bovenschedel worden gestroopt (omhoog getrokken wenkbrauwen waaronder ongewild wijd opengesperde ogen), De hele operatie gaat gepaard met geknetter van statische elektriciteit die, als de trui dan eindelijk uit is, mijn haar nog alle kanten omhoog doet staan. Ik heb het gevoel dat mijn toch al zo lange hoofd nog langer is geworden (met de tang verlost en daarbij uitgerekt zonder weer in proportie te zijn terug gekneed) We hebben er alle drie veel lol om. Maar dan neemt zus I. het werk over zodat mijn moeder zich kan wijden aan de zorg voor Irene. Deze ligt op een handdoek op de grond. Naast haar zie ik het grijze metalen schaal met zeepwater en een washandje.

Zus Inge verwijdert met de punt van een vijl het vuil onder mijn teennagels. Zo maak ik kennis met haar nijdig sadisme. Letterlijk haalt ze me het bloed onder de nagels vandaan. Schreeuwend van de pijn trek ik mijn voet terug maar het maakt haar nog nijdiger, ze zegt dat het mijn schuld is omdat ik mijn voeten niet stil houd, en met een valse lach belooft ze me geen pijn meer te doen. Ze vervolgt haar martelmethode. Als mijn moeder ziet hoe het bloed onder mijn nagels vandaan sijpelt zegt ze er wat van. Ziedend van boosheid en verongelijktheid verlaat zus I. de huiskamer. Even later komt ze terug, met dezelfde, hernieuwde belofte en dezelfde valse ogen.

Nijd… Haar nijd stond ook vaak aanschouwelijk overdrachtelijk uitgedrukt, in haar na enkele halen driftig in de asbak uitgedrukte Peter Stuyvesant-sigaretten, die geknakt rechtovereind bleven staan als zij om een of andere reden pissig de kamer was uitgelopen.

Eric, het appelvrouwtje…

Ik voelde me altijd vernederd als ik van mijn zus Marian op bed moest staan met als borsten twee paar sokken onder mijn trui, een hoofddoekje onder mijn kin vastgeknoopt en het uit riet gevlochten boodschappenmandje aan mijn arm hangend. Maar gedwee liet ik het met mij gebeuren. En Marian was best lief voor me. Maar die keer dat zussen I. en G. erbij waren… Daar stond ik op dat wankele podium van een matras, en wat hadden M en G een lol, ze deden het bijna in hun broek van de lach. Maar I. maakte geen geluid. Nee, ze grijnsde in stilte, met die ongehoord sadistische blik van leedvermaak in die ogen, die ik nog steeds voor me kan zien. Ze stond iets apart van de andere twee, voor de okergele deur van de muurkast. Toen ging onverwacht de kamerdeur open en middenin het tafereel stapte onze moeder binnen en zag me staan.

‘Hoe dúrven jullie die jongen zo te vernederen!’ siste ze mijn zussen toe. Maar zus I. wimpelde haar bezwaar met een achteloze armzwaai weg. ‘Ach ma…’ (‘waarom maak je je druk over dat verwend krengetje?!’) Maar de bijval van mijn moeder had mij ervan bewust gemaakt dat dat vernederde gevoel, waarvan ik eerst dacht dat het me niet toekwam, gerechtigd was. Het verbaasde me, maar ik nam het graag aan.

(Als jongetje in een door vrouwen overheerst gezin komen, met een emotioneel afstandelijke vader, die je in je bed tussen je benen komt betasten, dat doet rare dingen met je.

Wat de kleedpartij tot appelvrouwtje betreft: toen ik ooit met twee vriendjes enkele meisjes ontmoette op de grote markt, nabij het elektriciteitskastje – daar waar ik vroeger mijn van zijn werk terug fietsende vader opwachtte – en we probeerden indruk op ze te maken, toonde ik me weinig ‘man’ toen ik mijn zakdoek en mijn pakje shag bij wijze van borsten onder mijn trui stopte in de hoop populair te worden. ‘Hij is een viezerik,’ zei een meisje tegen mijn vriendjes. Ik schrok me daar te pletter van. Het oordeel ‘viezerik,’ bleef ik nadien met me meedragen, steeds weerklonk het in mijn oren, ook nu kan ik het nog horen)

Het zou, na jaren lang in Frankrijk te hebben gewoond, I.’s gewoonte worden om bezwaren en protesten met een nonchalant armgebaar weg te wuiven, met een fff-geluid (de f staat voor ‘futiliteit’). Met de Franse slag dus.

Dat niet aanspreekbaar zijn op haar gedrag deelde ze met onze, net als zij blauwogige en blondharige broer Ron, die het op andere wijze deed: door je gewoon honend uit te lachen of in het gunstigste geval door een schijnbereidwilligheid aan te kondigen. ‘Ik ga naar de kerk!’ placht hij dan met een bevochten ernst op zijn gezicht te zeggen, alsof uitbesteding aan het hogere een oplossing was.

De twee leken innerlijk en uiterlijk het meest op onze moeder. De Duijn-kant.

Ooit, ergens rond het jaar 2005 informeerde ik eens – het was een test – geïnteresseerd naar haar werk, benieuwd wat zou gebeuren. Ze stelde me niet teleur, er gebeurde wat ik verwachtte… hoe ik het in mijn hoofd durfde te halen mij als als gelijke (in het maatschappelijk verkeer) op te dringen, met haar van gedachten te wisselen over de ‘echte’ wereld.

Waarom, als ik dat vervelende jochie ben, heeft zij mij zo vaak uitgenodigd om mijn vakantie in haar huis in Frankrijk door te brengen? Waarschijnlijk uit een opgelegd verantwoordingsgevoel. Van mijn moeder, tijdens genoemd verblijf in het Sittards ziekenhuis (‘Eric, waarvoor ben ik hier eigenlijk?’), hoorde ik voor het eerst de term moeder overste. Ik vertelde haar dat Inge in het thuis de maaltijd prepareerde ‘Dat zal wel weer een in een pannetje water verwarmde rookworst worden,’ zei mijn moeder lachend. ‘ Ja verdomd, opeens besefte ik dat ze dat altijd deed.

Overigens had mijn moeder zelf een minderwaardigheidscomplex wat haar kookkunst betreft. Om haar een beetje bij te staan tegenover het dedain van mijn vader (die zelf nog geen ei kon bakken of maar bereid was er enige moeite voor te doen – toen mijn moeder ooit op vakantie was bij haar nicht in Zuid-Afrika kreeg ik de opdracht voor zijn en mijn eten te zorgen, met kant en klare opwarmmaaltijden, die we zwijgend aan de keukentafel opaten) liet ik hem nu en dan weten net als mijn moeder koken een kunst te noemen, daar wel bij verzwijgend dat ik dan aan goede koks dacht. Mijn vader lachte daar dan schamperend om.

Veel later hoorde ik eens van zus M. dat hij eens over zijn vrouw tegen haar had gezegd: ‘ze kan zelfs nog niet koken.’ Ik kwam daar nadien nog eens op terug bij mijn zussen, dat ik het ongehoord vond dat een vader zo over de moeder van zijn kinderen spreekt, maar zij wuifden het weg met ‘dat zal wel in een bepaalde context zijn geweest.’ Ja, natuurlijk, nou en?

Ik heb zus I. één maal oprecht geïnteresseerd in Irene gezien. Die werd er gewoon verlegen onder. Ik heb er toen een foto van gemaakt. In de jaren erna heb ik haar verschillende malen die foto geïnteresseerd zien bekijken. Voor het overige was het de formele representatie die ze toonde, in navolging van haar moeder. Visites aan Katwijk waren

Een uitspraak van haar die ik nooit vergeten ben: ‘O, Irene zegt van alles, daar moet je niet te veel waarde hechten.’ Irene’s herhaalde woorden weg! en morgen weg! hadden in haar ogen niets te betekenen. Maar Irene wilde al weg van het ouderlijk huis der mistroostige sfeer op het moment dat ze ernaar onderweg was.

Na de begrafenis van Irene (tijdens de begrafenisstoet keek ze me even aan op een wijze die zei dat ze zich geen raad met haar figuur in deze situatie wist), toen we op de Beestenmarkt in Delft waren, zat ze erbij met een gezicht over iets wat in haar ogen niet goed was (dan lijkt ze op inspecteur Derrick), god mag weten wat, míj interesseerde het niet, en ook niet de ober niet die er een opmerking over maakte.

Toen zus G. mij een keer vroeg of ik nog wist van die keer dat door mijn onvoorzichtigheid bij een van mijn vader afgekeken lucifers-spelletje Irene’s haar vlam vatte, en ik antwoordde ‘ja, natuurlijk,’ toen bleek I. dat verhaal helemaal niet te kennen. Ze informeerde ernaar. Toen ze het hoorde trók mevrouw moeder overste me toch een kwade kop! Over een voorval van godverdomme veertig jaar geleden! Geprezen zij moederoverste’s verantwoordelijkheidsgevoel!

In de periode 1980-1990 publiceerde ik gedichten in De Revisor. Een keer kreeg ik een ongunstige vermelding in een bespreking van een Revisornummer, van Marjoleine de Vos, in het NRC (ik was het overigens met haar eens, al langer ontevreden over mijn werk stopte ik met inzenden). In de keuken las mijn moeder zo’n bekritiseerd gedicht van mij voor in Inge’s aanwezigheid. O, wat kon mijn zus genieten van het ridiculiseren en onderuit halen van zowel mij en mijn werk, als onze haar best doende moeder, o dat satanische genoegen in de ogen van zus de burgertrut met haar volslagen onbenul van artisticiteit!

We liepen een keer langs de meubelzaak in de Raadhuisstraat. Daarin stonden altijd de gewone, smakeloze tafels en stoelen met poten van de draaibank. Het was allemaal helemaal niets. Nu was het wat beter geworden; de vormgeving was strakker en de houtnerven konden hun fraaie spel tonen. Maar denk niet dat zij daar zicht op heeft. We waren toen onderweg naar een gesprek over opname van onze moeder in een verpleegtehuis. De instanties wilden daar niet aan. We zouden ons uiterste best moeten doen om ervoor te zorgen dat onze moeder niet terug in huis zou worden geplaatst. Op gegeven moment greep ik haar hand om mekaar te sterken. Ze liet niet los maar reageerde er ook niet op. De zaak kwam uiteindelijk goed doordat ze bij moeder hartruis hadden ontdekt, en dat werd een indicatie voor opname. Ik zal nooit vergeten hoe zus I. toen als een onbenullig meisje vroeg: ‘Mogen we haar dan ook komen opzoeken?’ Ook de twee dames met wie we het gesprek voerden geloofden hun oren niet.

Wie ook niet zijn oren geloofde was de begrafenisondernemer toen we de begrafenis van moeder moesten regelen. Ik moest alles doen van haar. Toen nicht en neef Ruby en Jeroen binnenkwamen raakte ze in paniek over hun ontvangst, daar moest ík me aan kwijten. Ruby’s gezicht was bijzonder lelijk van onecht, gespeeld verdriet – dat heb ik er snel vanaf gekregen.

Maar weer even terug in de tijd. Toen onze moeder, in afwachting van een plaats in een verpleegtehuis, in de zogenaamde ‘tijdelijke opvang’ werd opgenomen, in de St. Jan, had ik daar een eigen kunstwerkje opgehangen, een van mijn vogelkastjes.

Toen onze moeder naar het verpleegtehuis in Delft werd gebracht, is het werkje daar gewoon achtergelaten. Het bezwaar dat ik daarna aantekende deed ze af met haar karakteristieke wegwuif-gebaar, gepaard met haar karakteristieke pfff-mondje.

Dat was al denigrerend genoeg, maar toen ik haar liet weten die werkjes voor 300 Euro te verkopen, schreeuwde ze het uit: ‘Waaat…! Hoe dúrf je!!’

Ik heb later het werk zelf uit de St. Jan. weggehaald. Uit ‘dat onmenselijke instituut,’ zoals I. het altijd noemde.

Ik heb in de tijd dat moeder op de tijdelijke opvang en ik in het ouderlijk huis zat elke dag in de vernieuwde St Jan rondgewandeld om er de sfeer en gang van zaken te proeven. Ik wist dus waar ik over praatte, I. niet. ( de vijf verdiepingen hadden allemaal uiteenlopende, felle kleuren. Totaal – om een leider daar te citeren – aansluitend bij de belevingswereld der ouderen. Dat was ik met hem eens, een architect had zichzélf willen laten gelden in plaats van de inwoners.

Ze had graag gewild dat ik in Geleen kwam wonen om voor mijn moeder te zorgen. Daarbij had ze gezegd (eerlijk is eerlijk: het siert haar); als ik in Nederland had gewoond had ik zélf voor mijn moeder gezorgd, (zoals ze ook voor haar demente schoonmoeder had gezorgd (drollen uit hoeken van de badkamer weghalen etc) – Maar voor mij zou dit funest, de definitieve nekslag van mijn persoonlijke ontwikkeling zijn geweest, juist op het moment dat ik voor mezelf had gekozen.

Zus I. heeft ook nooit kunnen uitstaan dat ik opgroeide in de welvaartsjaren (mijn vader heeft me toen eens met een bruinogige lach toevertrouwd: als ik op mijn loonstrookje kijk gelóóf ik het soms niet eens!) Dat kreeg ik dan onder mijn neus gesmeerd. Als ik dan antwoordde dat ík daarentegen in die tijd helemaal alleen thuis was, vulde mijn graag alle ongewenste zaken onder het tapijt schuivende moeder in: Eric bedoelt dat híj daarentegen weer alle gezelligheid heeft moeten missen, waar ik bedoelde – en dat wist ze ál te goed – : jullie hebben me alleen gelaten met die ellendige koude oorlog tussen mijn pa en ma.

Er bestaat een foto waarop ik zeer hooghartig op de bank gezeten ben tussen I, en ‘oom’ (hoe heette die man van ; tante’Lida?). Want wat was ik boos! Zodra zussen en visite binnenkwamen was de oorlog tussen mijn ouders afgelopen begon het teringtoneelspel van mijn ouders. Die boosheid, die PIJN vertaalde zich in dit gedrag van mij. Zus I. keerde zich op gegeven moment maar van mij af. Toen ook oom dat deed, schrok ik wel, want hij wist natuurlijk niet waarom ik me zo opstelde.

Zus M. heeft me wel eens gezegd dat zus I. zich schuldig voelde naar Frankrijk te zijn vertrokken toen het fout begon te gaan tussen onze gezamenlijke verwekkers. Ze heeft me ook wel eens verteld (en dat was toen een grote verrassing voor me) tegen mijn moeder te hebben gezegd dat ze me wel eens kwijt kon raken als ze zo door ging zich op mij af te reageeren. Moeder was in tranen geschoten en had gezegd: je hebt gelijk. Dat was nog in de tijd dat ik me nog volledig liet piepelen. Tja, als je je moeders lievelingetje bent, zoals ze me heeft verteld toen ik voor de eerste keer bij haar weg ging (maastricht), dan ben je extra de klos. Maar dat zou in het hoofd van zus I. nooit opkomen, noch in het hoofd van de jaloerse broer Ron, de eerstgeborene die geleidelijk aan als het ware zijnIk was denkelijk een jaar of veertig. Een namiddag met moeder en zussen in de Geleense huiskamer. Het sherry-aperatief. Ma vertelt: op een dag kwam Eric totaal overstuur thuis en hij wilde maar niet zeggen wat er was gebeurd. (Ik wist toen niet waar dat over ging, al heb ik wel altijd met me meegedragen dat ik ooit een keer bij thuiskomst mij zeer oneerlijk door mij moeder behandeld heb gevoeld) Onuitwisbaar toen de blik van dat mens uit Lyon, dragend de naam ‘zus.’ Ze nam me op met van diepste verachting opgetrokken neus. Waarom? Misschien kreeg ik teveel aandacht naar haar zin, die emotie kende haar eveneens met Duijn-karakter en -uiterlijk uitgeruste broer ook zo goed. Of ik was ‘onbetrouwbaar,’ zo’n mening die waarschijnlijk ook dat buurvrouwtje Ankie van Hout erop na hield.

Inmiddels weet ik dat het ging over de dag dat ik thuiskwam na op straat te zijn verkracht en door mijn moeder met een sadistische grijns naar mijn kamer werd egstuurd.

Van alles wat ik schrijf, heeft dit mij wel het aller-aller-diepst gekwetst.

 
Een reactie plaatsen

Geplaatst door op juli 7, 2019 in Uncategorized

 

Savelkoul

Hij staat zó schuin tegen zijn lessenaar geleund dat zijn lichaam, de vloer, en de poot van de lessenaar tezamen bijna een gelijkbenige, rechthoekige driehoek vormen. Zou hij zich niet op zijn gemak voelen…? Haast zwarte ogen heeft hij, net als mijn vader. Een lichtdonker gelaat bezaaid met kleine krakertjes. En pikzwart, achterover gekamd haar. Zijn ogen zoeken mij regelmatig op. Ze doen het minder vaak dan ze zouden willen. Net als bij mijn vader. Hij lacht nooit.

Ik wil graag mijn best voor hem doen, mij voor hem bewijzen. Alsof hij de plaats van mijn vader heeft ingenomen.

Hij geeft ons geschiedenis, uit het boek met de harde, groene linnen kaft: ‘Wereld in wording.’

Leert ons over de oude Grieken. Over Athene . Over het militairistische Sparta en de harde opvoeding van haar kinderen.

Leed of pijn tonen was on-Spartaans. Zij moesten zoveel mogelijk zwijgen en luisteren naar wat de ouderen bespraken.’ lees ik.

Savelkoul vertelt: ‘een Spartaans jongetje had een brood gestolen. Hij verborg het onder zijn hemd. Toen hem door een oudere werd gevraagd of hij de dief was, ontkende hij in alle toonaarden. Zelfs toen de rat, die in het brood verborgen zat, zijn borst begon aan te vreten en al aan zijn hart knaagde, gaf de jongen geen krimp en bleef voorbeeldig ontkennen. Deze hardheid voor zichzelf stond in Sparta hoog aangeschreven…’

Het verhaal dringt diep bij mij naar binnen, zal mij bij blijven. Ik zal dat jongetje zijn…Ik zal niet spreken. Ik zal pijn dragen. Ik zal het beurtelings koud en warm krijgen, rillen over mijn gehele lichaam, maar ik zal een onverschillig gezicht blijven houden, wanneer mijn klasgenoten, die mij erom de bijnaam Jan Salie hebben gegeven, uitlachen of bespotten.

Het Oude Egypte heeft intrigerende afbeeldingen, maar het is me te mystiek, en ik kan de namen van de farao’s niet onthouden.

Mijn voorkeur gaat uit naar het Griekse, dat zuiver is en redelijk en blauw als de hemel boven een azuren Egeische zee. Hun atleten, gebouwd uit marmer zijn ‘net echt…’ Hun leuke veelheid aan allerlei Goden… Socrates met zijn stoicijnse verachting voor de gifbeker en knaap Plato, naar wie het platonische werd genoemd dat mij, zo interpreteer ik het, om zijn verontlichamelijking aanspreekt.

Ik heb hard geleerd voor het proefwerk dat nu begint.

De boeken en schriften gaan van tafel en worden opgeborgen in de schooltassen die naast de tafeltjes staan.

Savelkoul dicteert ons vijf vragen. IJverig over mijn papier gebogen, mijn linkerelleboog rustend op tafel, mijn hoofd steunend op de linkerhand, noteer ik ze en ik begin mijn antwoorden neer te schrijven. Ik schrijf zo snel mogelijk om in de korte, gegeven tijdspanne zo veel mogelijk van mijn kennis te laten blijken. Soms kijk ik nadenkend voor me uit en zie dan Savelkoul, die me met zijn donkere ogen zit op te nemen.

Na een poosje staat hij op en wandelt langzaam langs de tafeltjes. Nu komt hij bij mijn tafeltje en houdt stil. Ik kijk naar hem op.

-‘Wat is dát, Eric?’ vraagt hij en zijn ogen leiden me naar wat zich links van mijn elleboog op mijn tafeltje blijkt te bevinden. Het is mijn opengeslagen geschiedenisboek ‘Wereld in wording.’

-Oh, nee…, dat wist ik niet! roep ik verschrikt uit. Ik begin te huilen.

-‘Begint ie te huilen!’ roept de jongen achter me lachend uit.

-‘Ja, maar ik wist het niet…’ Ik heb me half naar hem omgedraaid en het verongelijkt uitgeroepen. De klas lacht.

Ik moet het boek dicht doen en in mijn tas opbergen.

-‘Ik hield je al een tijdje in de gaten,’ zegt Savelkoul. Je hebt inderdaad geen enkele maal naar het boek gekeken. ‘ ‘Maar dan ga je toch nog niet húílen…?! voegt hij er aan toe.

Hij heeft me vrij gepleit van kwade bedoelingen. Ik mag doorgaan.

Ik blijf me de rest van het jaar voor Savelkoul inspannen, zo goed ik kan. Voor deze man die mij een aandacht schenkt waarbij ik me enigszins geborgen weet, van wie ik wel nog méér aandacht zou willen krijgen.

Het schooljaar verstrijkt, meerdere schooljaren op meerdere scholen verstrijken, er verstrijken werkjaren, werkeloosheidsjaren, arbeidzame en vergooide jaren. Ik word dertig, en veertig, en vijftig…

Ik ben 52 geworden en google naar ‘Savelkoul ,‘ ‘Bisschoppelijk College’ en’ Sittard…’ En ik vind:

 

Paul S. (65), die verdacht wordt van betrokkenheid bij kindermisbruik op het Indonesische eiland Lombok, is eerder met justitie in aanraking gekomen. In de periode 1988 tot en met 1993 zou de voormalige docent economie en geschiedenis verschillende leerlingen van het toenmalige College Sittard hebben mishandeld. Na tussenkomst van justitie heeft Paul S. de leerlingen een schadevergoeding elk vijfduizend gulden betaald.

Paul S. gaf de leerlingen (veelal jongens) bij hem thuis bijles. Als de leerprestaties niet voldoende waren, kregen de leerlingen een pak slaag op hun blote billen. In Dagblad De Limburger doen twee oud-leerlingen van het College Sittard vandaag hun verhaal. Zij kregen in de periode 1988 tot en 1993 bijles van Paul S. Eén van hen, een nu 29-jarige man, vertelt dat hij zich geheel moest ontkleden en voor ieder tiende punt onder de zes tien slagen op zijn blote billen kreeg. “Bij een vier waren dat dus tweehonderd slagen“, legt hij uit.

De andere oud-leerling geeft aan dat hij soms pijnstillers slikte voordat hij naar de bijlessen van Paul S. ging. Het tweetal verklaart dat meer jongens van het voormalige College Sittard (tegenwoordig Trevianum) door Paul S. zijn mishandeld, maar zij zouden zich uit schaamte nooit hebben durven te melden. Omdat de docent ook als decaan van de havo op dezelfde school werkzaam was, had hij grote invloed op het bevorderen naar een hogere klas.

Zowel de gratis bijlessen die Paul S. aan veel jongens gaf als de onorthodoxe manier van straffen waren destijds bij de schoolleiding bekend. Zij werden hierover in 1993 door de twee oud-leerlingen en hun ouders ingelicht. Daarop werd besloten om de zaak intern op te lossen. P. Meijers, voormalig directeur van de havo, wenst hierop “eventjes geen commentaar meer te geven”. Paul S., die tot en met 1996 op het College Sittard heeft lesgegeven, moest in een gesprek met de twee slachtoffers en Meijers zijn excuses aanbieden. Ook moest hij stoppen met het geven van gratis bijlessen.

In 1996 zou tegen Paul S. aangifte zijn gedaan, maar de directie van de school zegt hiervan niet op de hoogte te zijn. Na een strafrechterlijk onderzoek, dat meer dan een jaar duurde, besloot de officier van justitie in Maastricht in juli 1997 dat Paul S. aan de twee slachtoffers een schadevergoeding moest betalen. Een motivering voor deze schikking wordt niet gegeven. Uiteindelijk heeft Paul S., die zelf niet voor commentaar bereikbaar was, ieder vijfduizend gulden betaald. Niet lang daarna vertrok Paul S. naar Lombok en startte daar het hotel Oma Sittard.

En ik vind nog wat meer over Hotel Oma Sittard…

Ik leef al zo lang trachtend mij geen illusies te koesteren.

-‘Kan er gewoon bij,’ zeg ik hardop.

Ik weet het al zo lang maar besef het toch steeds weer onvoldoende: dat eens misbruikt, het iedere potentieel volgende misbruiker het aan je ‘ruikt.’ Geconditioneerd. Híj, die die decennia mij bij was gebleven als een goede herinnering…ik ben niet meer verrast, hoe een verrassing het ook is. ‘Back to the future,’ denk ik. Pas jaren terug begreep ik waar dat Spartaanse jongetje over moest zwijgen. En ik denk : ‘De donkere kamer van Damocles.’

Ik trek een brede, ironische lach naar mijzelf. Met veel tanden. Dat doe ik regelmatig.

 

 
Een reactie plaatsen

Geplaatst door op juli 7, 2019 in Uncategorized

 

Ramses

Land met ander licht

Op de dag van zijn dood, toen de televisie die droevige, melancholieke, maar maar al te gretig voor het leven gekozen hebbende we zullen doorgaan-ogen vrijwel voortdurend in beeld bracht, moest ik denken aan Hans.

Hans, de drinker in de kroeg met de droeve, bruine ogen.

Hans was niet door zijn moeder vanaf een perron op een trein gezet die daarna doodleuk van haar wegreed. Hans was vlak voor de Russische inval in Hongarije door zijn ouders naar Oostenrijk gestuurd en hij moest die weg lopend afleggen.

Hij heeft zijn ouders daarna nooit meer terug gezien.

Als hij eraan denkt stromen brede traanrivieren over zijn wangen. Dat gebeurde de eerste maal, toen hij mij het verhaal vertelde, en de enkele keren daarna, toen ik hem aan zijn verhaal herinnerde omdat hij niet meer wist dat hij het me verteld had, noch wie ik was, terwijl ik mezelf toen toch óók had blootgegeven door hem míjn verhaal te vertellen, dat stak wat…

Ik had Hans aanvankelijk gemeden. Ik had gezien hoe hij naar me keek, in mijn beleving op de wijze waarop een verkrachter naar je kijkt. Hij zag, als iedereen, de moeder achter mij, 53-jarige man, doorschemeren, die de brave, wereldvreemde zoon met nog nesthaar had voortgebracht, en hij voelde instinctief ook dat andere dat mij …

Dat van die brave opvoeding, dat had ie inderdaad gezien, vertelde hij me later, met die wat onsympathieke grijns die me zo vaak ten deel is gevallen.

Als jongen bekeek ik Ramses Shaffy op tv met gereserveerdheid, en ik voelde hoe Rames vond dat dat niet hoorde, die ivoren toren. Ik zag hoe zijn hoofd door alcohol was getekend, en ik kende de drinkers als degenen die vonden dat ik niet echt leefde en nooit iets had meegemaakt. De bijbehorende walm van drank die ze daarbij uitademden deden me altijd de betrekkelijkheid der dingen inzien, al vond ik wel dat ze enigszins gelijk hadden. Wist ik veel….Ik wist niets van wat ik had meegemaakt. Ik was bevroren. En mij trof de blaam van degenen die het monopolie op gevoeligheid meenden te bezitten en maar weer eens een met trillende handen een plaatje van Brell of Piaff op de draaitafel legden, in hun gestrande leven.

Ramses strandde niet, hij was kunstenaar pur-sang, hij, een thuishaven verloren hebbend, rolde zonder mos te vergaren, meen ik, al was hij óók erg blij met zijn paspoort, dat hem een alsnog een thuis gaf.

‘Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy!” zei mijn moeder vaak tegen me, bezorgd om mij. Dan lachte ik wat scheef. Ramses zou ze overigens niet binnen hebben gelaten, mocht hij ooit dronken aanbellen, zo was het dank ook wel weer.

Ik keek vroeger naar Ramses met, behalve reserve, grote bewondering, en later, bij het klimmen der jaren, met liefde. Toen ik zijn grijze hoofd gisteren zag, huilend achter de piano, ik had hem willen strelen en al zijn verdriet weg kussen. En scheren…Hij zou het zowaar toelaten en gieren van de lol terwijl ik zijn kaken met het ouderwetse kwastje vol sopte. Dagfantasieën…Als 18-jarige zag ik ooit op West-end de “Rocky horror-show, waarin het refrein: ‘don’t dream it, be it.’ Lukte me niet zo…

Shaffy dééd het. Ook met drank.

Land met een ander licht, dat kende hij dus óók, dat gevoel, als Amsterdam stil is…

Ik slik seroxat. Tegen de levensangst.

Wat je als kind hebt mee gemaakt, dat gaat nooit meer weg, dat bepaalt je hele verder leven. Ook bv. John Lennon kende een sarcasme dat terug te voeren is op het verlaten zijn door zijn ouders.

Ik weet niet meer precies wat ik wil zeggen. Nou ja, zoals de meesten hier: leve Ramses! Weg met Calvijn!

 
Een reactie plaatsen

Geplaatst door op juli 7, 2019 in Uncategorized

 

Moeder

 

Ik lig te soezen in mijn wieg. Ik koester het zonlicht dat schuin de erker binnenvalt. Een licht waarvan ik de rest van mijn leven zal blijven houden. Een licht dat de dingen mint en van hen in volmaakte stilte zingt.

Maar nu zijn mijn ogen op zoek naar de bron van een gegons in mijn oren.

Daar! Dat kleine zwarte, dat soms metalic-blauw opglimt! In de vitrage voor het raam zit een dikke bromvlieg verstrikt, die met korte tussenpozen panisch zijn vleugels uitslaat om door het glas heen het buitenlicht in te vliegen. Hij weet zich uit de vitrage te bevrijden, warrelt zoemend omhoog, vecht zich een ongeluk tegen de onzichtbare barrière, valt dan tollend naar beneden, waar hij even rondloopt met korte, afgemeten dribbeltjes, alsof alles vergeten en niets aan de hand is. Maar dan tilt hij zich weer aan zijn vleugels omhoog en hervat dezelfde, zinloze, hopeloze arbeid.

Ik verlies aandacht voor de vlieg en mijn ogen dwalen langs de potjes met planten op de zwart marmeren vensterbank. De lange, rechtopstaande, geelgerande bladeren van enkele planten die mij nog niet zijn benoemd als vrouwentongen, trekken het meest mijn aandacht. Ze torenen boven de andere uit.

Ik kijk naar het plafond. Ik hoor de vlieg nog steeds brommen, maar met steeds langere tussenpozen. Ik til mijn benen omhoog en graai naar mijn voeten. Dan breng ik met een hand de belletjes, die gespannen aan een draadje boven mijn hoofd hangen, tot klinken.

Een nieuw geluid trekt mijn aandacht. Het is afkomstig van de tegen het vensterglas kloppende knokkel van een vinger, waar een vreemd gezicht bijhoort. Het maakt rare, blijkbaar voor mij bestemde grimassen. Het gezicht doet onecht.

Het verdwijnt uit mijn gezichtsveld en even later hoor ik in huis: ‘oehoe!’ en nóg even later hangt het gezicht, begeleid door dat van mijn moeder, boven mij. Twee gemáákte gezichten. Het onbekende gezicht brengt met hoge stem geluidjes voort, terwijl het gezicht van mijn moeder zich afwisselend tot de vreemde mevrouw wendt, met vertedering afeisende blik, en dan ter aanmoediging keert zij zich weer tot mij…

De gezichten trekken zich terug. Ik ben weer weer alleen met het gebrom van de vlieg. Ik hoor het zwakker worden, ik hoor het steeds minder vaak.

Nu is het er niet meer…

Of…?

Ik spits de oortjes en wacht af.

Mijn moeder en zus M. rennen de kamer in. In paniek. Maar ik begrijp niet waarom. Ze denken dat er iets niet goed gaat met mij. Maar alles is goed met mij. Ik begrijp de commotie niet.

Maar veel later in mijn leven zou ik te horen krijgen dat er ooit paniek om mij was, omdat ik op mijn buik lag en mogelijk een wiegendood stierf. Zo weet ik niet of ik herinnering heb aan dit voorval of aan het latere verslag ervan. Of aan een heel ander moment. (Als ik op mijn buik zou hebben gelegen, toen, hoe had ik de twee kunnen zien naderen, vanuit de schemer van de kamer, links van mij?)

De wieg is ingewisseld voor een box die in de achterkamer staat, vóór het donkere, houten dressoir met de laden met de messing hengsels waar ik nét met mijn vingers bij kan om ze op te tillen en weer los te laten. Dat maakt een hard geluid dat mijn moeder niet leuk vindt, maar deze is nu in de keuken.

Evengoed heeft ze het gehoord, want nu komt ze boos de kamer binnen lopen met in haar handen een theedoek waarin ze een theekopje laat rond wentelen. Ze legt het werkje op tafel en hurkt zich naast mijn box. Om mijn aandacht van het dressoir af te leiden doet ze voor hoe ik de gekleurde balletjes in het telraam kan verschuiven. Ik zie de gehaaste quasi-heid heus wel. Dan gaat ze de kamer uit maar komt vrijwel meteen terug om de vergeten doek en het kopje op te halen, dan verdwijnt ze weer.

Met een harde zet van de wijsvinger laat ik de balletjes zó hard glijden langs de staaf dat ze met veel kabaal terug ketsen tegen het venster. Ik hoop dat mijn moeder het hoort en weer terug komt.

Ik word steeds venijniger in mijn pesterige bedoelingen.

De binnenplaats achter het huis is geplaveid met stoeptegels. Daarachter ligt de tuin: een grasperkje omzoomd door aarde waarin onder andere een klein, in het voorjaar voluptueus met rose bloesem getooid boompje, rose en witte anjers in hun blauwgrijze struiken, klein gewas met rode bloemetjes waar mieren in rondlopen en daarom door mij ‘mierenstruikjes’ worden genoemd…..Enkele grote keien op een hoopje.

Ik sta bij de tulpen. Mijn moeder maakt een foto van me. Ik moet stil staan van haar. Ik moet lachen. Ik vind dat mijn moeder raar en onecht doet, heb daarom eigenlijk geen zin, maar ik moet. Ze leert me een liedje: ‘handjes omhoog, handjes omlaag. Handjes in de zij en blij zijn wij.’ Terwijl ze het voorzingt houdt ze me bij de polsen vast en brengt mijn handen waar ze volgens het liedje moeten zijn. ‘Op het boze bolletje, allebei.’ (Later zal ik dit op mijn beurt bij Irene doen.)

Een ander liedje: Moriaantje, zwart als roet, ging eens wandelen zonder hoed. En de zon scheen op haar bolletje. daarom droeg zij een parasolletje.’

En: ‘Klein klein kleutertje, wat doe je in mijn hof? Je plukt er alle bloemetjes, je maakt het veel te grof. O lieve mamaatje, zeg het niet tegen papaatje. Ik zal zoet naar huis toe gaan, en de bloemetjes laten staan.’

Op een houten bank. De planken van de zitting zijn oranje en de poten en armleuningen zwart We zijn er allemaal, met uitzondering van Irene. Ik weet niet waar zij is.

Ik zit links op de bank en het is de eerste maal dat ik bij de ‘groten’ betrokken wordt.

Maar ik ervaar de stemming als onecht. Het lachen van mijn zussen is niet natuurlijk.

Toch wil ik mij niet onbetuigd laten en ik begin ook wat te kirren en steek mijn hand uit alsof ik het gebeuren wil vastgrijpen.

(Zo’n 45 jaar later, wanneer ik de foto die van dat moment is gemaakt tegen kom in het familiealbum, begrijp ik de reden van de onechtheid: Mijn moeder staat niet op de foto omdat ze de foto maakte. En wanneer mijn moeder foto’s nam moest men poseren op de wijze waarop het haar schikte: ‘hoe het hoort.’ Het moment moest eerst doodgemaakt en het doodgemaakte werd vervolgens geklikt. Zo kon zij zelf ook nooit ongedwongen op een foto staan. De tragiek van een burgerlijke opvoeding ligt hierin besloten: niet de aard maar de vorm is standaard. Bij ons thuis zou het begrip ongedwongenheid een loos begrip blijken. Als er íéts gedwongen was, dán wel de ongedwongenheid.)

Op mijn vaders schoot het hondje dat ik me niet echt herinner (een vage gedachte van vanuit de achterkamer een hondje achter het raam waarnemen, dat wel…)

-‘Wanneer gaan we nou, mama?

-‘Zo meteen. Zet je stoeltje er maar vast op.’

Ik pak het zitje van de muur en til het op om het op de bagagedrager van de schuin tegen het muurtje leunende fiets te plaatsen, maar als ik mij afzet glijden mijn voeten weg in de dikke laag grind van de voortuin, en ik kom niet hoog genoeg. Ik probeer opnieuw.

Mijn moeder is klaar met spullen in haar tas doen en neemt het werk van me over. Ze bukt zich om me, geklemd tussen haar arm en lichaam, op te tillen en ik beland in het stoeltje. Nu kunnen we gaan.

Achter moeders rug glij ik hoog gezeten door de Agnes Printhagenstraat.

Op sommige plekjes heeft de verf van het zitje losgelaten en is glanzend metaal zichtbaar. Mijn vingers pulken aan het rode plastic zitvlak en de opstaande zwart rand vol kartels. Witte vulling begint naar buiten te puilen, die ik met mijn vinger weer naar binnen duw.

We zijn aan het eind van de straat gekomen en gaan rechtsaf de Mauritslaan in.

Het zitje heeft uitklapbare voetsteuntjes die mijn voeten steunen maar ik vind het veel leuker om met mijn benen te zwaaien.

Opeens komt mijn rechtervoet als een spalk tussen de wielspaken terecht. De fiets komt stil te staan, mijn moeder weet hem nog even recht te houden, ter linkerzijde afstappend, maar dan beland ik toch mét de fiets op het lichtgrijze asfalt. Ik schreeuw en huil van schrik en pijn. Dit is de tweede maal dat het gebeurt. Mijn moeder bevrijdt mijn voet uit het wiel en zet snel de fiets tegen een boom om met mij in haar armen naar dokter van Sambeek te snellen, wiens ingang dichterbij is dan die van het belendend hoekhuis van zijn buurman en onze eigenlijke dokter ‘Keizer.’ (Kayser).

Ik zit in de wachtkamer op een gelakte, houten bank en de blonde, blauwogige dokter is aardig en voornaam tevens en hurkt om mijn voet onderzoekend door zijn handen te laten gaan. Her en der door hem geknepen, roep ik niet heel hard ’Au!’ Tot mijn lichte teleurstelling concludeert hij dat er niets ernstigs aan de hand is.

Hij is vriendelijk en galant tegen mijn moeder -zoals ik mijn vader nooit heb zien doen- en het is alsof ik mijn moeder, met een eerste indruk van ‘hoe het in de wereld werkt’ voor het eerst als een ‘vrouw’ zie, of althans een eerste vermoeden krijg van de mores tussen heer en dame in wereldsere kringen dan die waarbinnen mijn vader zich op zijn gemak zou voelen….

Voortaan zwaai ik niet meer met mijn benen en gebruik ook niet de voetsteuntjes maar houdt mijn benen wijd uiteen waardoor ik kramp in mijn liezen krijg.

Zij dribbelt voortdurend van de ene bezigheid naar de andere. Neemt stof, schudt de stofdoek uit buiten het raam. Zij begiet de plantjes met de turquoise gieter met de ribbeltjes. Of ze wrijft lekker ruikende boenwas op de meubels. Of zeemt de ramen.

Nu staat ze nabij de openslaande deuren van de achterkamer te stofzuigen, mijn moeder. Het is ongeveer half 11 in de ochtend. Ik word dan altijd op de grond dicht bij de radio gezet om Kleutertje luister te horen. Zo heeft zij even geen kind aan mij. Als het programma is afgelopen vraag ik of ik mag meehelpen en ik ontvang een zwarte, plastic borstel om de sliertjes langs de rand van het perzisch tapijt mee recht in het gelid te kammen. Wanneer ikzelf of mijn moeder tijdens het lopen mijn werk weer verpesten wil ik dat meteen herstellen, maar mijn moeder vindt dat overdreven. Zij heeft, om beter overal met de stofzuiger bij te kunnen, de stoelen achter elkaar in een rij in de gang gezet, en soms neem ik plaats in een van de stoelen van wat in mijn spek een treintje wordt. Ik vertel haar dat, ze zegt: ‘O, ja.’

Elke ochtend luister ik naar Kleutertje luister, maar op gegeven moment vind ik me er te oud voor. Het is alsof ik mijn aandacht van de radio naar mijn hard werkende moeder wil verleggen wanneer ik zeg: ‘Gezellig he mama, dat we samen zijn?’ Zij verstart even in haar houding, waarbij ze voor zich uit kijkt, niet naar iets buiten, in de tuin, nee, naar iets binnenin haar. Een fractie van een seconde heeft de tijd stilgestaan. Dan gaat ze driftig en nijver door met haar werkzaamheden. Maar het zal op mijn netvlies blijven hangen: ik zag hoe ze mijn woorden niet naar binnen heeft willen laten gaan. Alsof ze mijn woorden niet heeft geloofd. Ze heeft mijn intentie gewantrouwd, alsof een minderwaardigheidsgevoel het onmogelijk maakt ze te ontvangen.

Altijd als ik later ‘de film van vroeger’ zal terugdraaien, kom ik langs deze schokkerige, korte haperende scene, begeleid door een even kort, ongemakkelijk geratel van de filmprojector.

Moeder zegt dat ze boodschappen gaat doen en daarom mij even alleen moet laten. Omdat niemand mij door het raam mag zien moet ik aan één kant van de kamer blijven, zodat de muur van de schuifdeuren van de kamers en suite mij uit het zicht zal houden van mensen die door het raam naar binnen kijken. Ze legt even haar hand op mijn schouder en buigt haar ernstige gezicht naar mij toe. Er lopen namelijk slechte mensen rond. Wanneer iemand aanbelt, mag ik beslist niet open doen!

Ze vertrekt. Ik hoor de deur achter haar in het slot vallen.

Ik ben nu alleen in de kamer en tuur aandachtig naar een door het raam binnenvallende lichtstraal die een onregelmatige rechthoek op het vloertapijt legt. Oneindig veel, dwarrelende stofdeeltjes lichten er in op , met traag deinende, gezamenlijke beweging zweven ze door een staaltje van schitterende oneindigheid.

Maar ik begin me wat alleen te voelen.

Een zware mannenstem op de radio noemt exotische plaatsnamen op en onbegrijpelijke cijfers, met lange stiltes ertussen: ‘Konstanz: 358 min 1’…………………………… ‘Koblenz, 218 plus 2’………………………………. Zou dat iets met ‘de oorlog’ te maken hebben? De namen klinken gevaarlijk in mijn oren.

Er wordt gebeld!

Ik open de deur naar de hal op een kiertje en kijk nieuwsgierig naar het silhouet van het hoofd achter het reliefglazen raampje van de voordeur. Dat kan een slecht mens zijn! De slechte mens drukt nu zijn gezicht tegen het reliefglas om naar binnen te kijken, waardoor zijn gelaatskenmerken zich wat duidelijker aftekenen.

Ik beweeg mij niet. Zolang de slechte mens niets ziet bewegen zal hij denken dat er niemand thuis is en zal hij weer weg gaan!

De bel gaat voor een tweede maal. De slechte mens zijn gezicht blijft vervormd zichtbaar achter het raampje. Dan draait zijn gezicht weg -ik zie de zijkant- en gaat, weer wazig wordend, naar achteren, dan naar beneden, verdwijnt helemaal uit beeld. Ik heb zijn voet op het kelderrooster horen neerkomen, en ook een geluid in de brievenbus gehoord.

Nu ik de hal durf in te lopen, begeef ik mij naar de zware, donkere voordeur. Links daarvan is de lichtgele deur van de elektriciteitskast. Ik open hem en kijk de brievenbus, rechts van mij. Het is een met grijze en okergele tinten bedekte grot, met hier en daar loszittend pleisterwerk, en zandkorrels op de bodem. Aan het uiteinde de rechtopstaande gleuf waardoor licht binnenvalt………..9**&98089………..verderop$%. Een witte envelop leunt tegen de wand. Ik haal hem eruit en bekijk beide, onbeschreven zijden. Er liggen kerkboekjes en handschoenen op de plankjes. Daarboven de zwarte elektriciteitsmeter met de ronde, witte, stoppen waar ik niet aan mag komen. Ik zie achter het kijkglas langzaam de metalen schijf met de gekartelde rand draaien. Het rode stipje moet zo voorbijkomen….zo meteen….- dáár is het…het beweegt in een onveranderlijk, vast tempo. Het zal zo weer uit beeld verdwijnen en is …..nu weg! Ik wacht ik tot hij weer tevoorschijn komt… Al vooruitziend duurt dat veel langer dan ik had verwacht. De meter laat even een korte tik horen. Rechts van het kijkglas zakken langzaam de zwarte cijfers achter de komma naar beneden. In de holte van de brievenbus valt door de verticale gleuf nu een goudkleurige lichtstreep binnen, want buiten is de zon gaan schijnen. De holte heeft zanderige wanden waar je met je nagel wat van los kunt krabben en hij wordt in mijn fantasie een hoge grot waarin ik in miniatuur rond wandel. Lopend in de goudkleurige lichtstreep nader ik de spleet waar ik naar buiten kan kijken, uitziend over een laag gelegen, zanderig, rotsig fantasielandschap.,

Ik doe de envelop terug in de brievenbus en loop, weer tot werkelijk formaat teruggekeerd, naar de kamer.

Mijn moeder komt even later thuis met de boodschappentas. Ze haalt er een papieren zak van de slager uit. Er staat een rode tekening op van een vrolijk lachend varkentje, dat met grote, vrolijke ogen smakelijk zijn lippen aflikt.

‘Omdat ie zichzelf lekker vindt,’ denk ik verbaasd, want ik heb al gehoord dat vlees van dieren komt.

Op een ochtend gebeurt iets onverwachts. De dag ervoor, toen ik tussen mijn ouders en zussen en broer aan de eettafel zat, had ik wel te horen gekregen dat mij een verrassing stond te wachten maar niemand wilde vertellen wélke.

Maar nu neemt mijn moeder me na het ontbijt, en na mijn veters te hebben gestrik, aan haar hand mee naar buiten. We lopen de straat door, gaan door andere straten, voorbij een grote kerk, naar een daarachter gelegen, met stoeptegels geplaveid binnenplaatsje. Er is een grote zandbak. Er is een laag gebouwtje waarin ik aan mijn moeders hand wordt binnengeleid. Er lopen veel andere kinderen rond en enkele volwassenen, waaronder nonnen, en ik voel me onwennig.

Ze leidt me een lokaal binnen waar kleine tafeltjes en stoeltjes in rijen staan opgesteld. Hier en daar zitten andere kinderen. Ze plaatst me links, achterin op zo’n stoeltje en zonder verder iets te zeggen verlaat ze het lokaal. Ik ben volledig overrompeld. Mijn moeder zet me hier gewoon neer en laat me daarna zomaar in de steek…! Ik voel hoe verbazing en onbegrip op mijn gezicht verschijnt, in een vreemd moment van zelfbeschouwing dat bij ingrijpende gebeurtenissen blijkbaar gebruikelijk is. Dan zie ik mijn moeder, door een venster tussen gang en lokaal. Ze draait zich naar mij om. We kijken elkaar recht in de ogen. Ik zie haar huilen. Snel draait ze haar gezicht van me weg. Nu heb ik begrepen dat ze zo heeft gehandeld om zich niet door verdriet te laten leiden. Mijn moeder houdt van me.

Maar blijkbaar heeft ze me noodzakelijkerwijs moeten afstaan aan iets ‘wat zo hoort’ in de wereld. Ik ben gerustgesteld.

De klas loopt vol met kinderen die net als ik worden binnengeleid aan de hand van hun moeder, die daarna, na soms nog even met een juffrouw te hebben gepraat, vertrekt.

De klas is nu helemaal vol.

Het jongetje dat links van mij zit trekt het stoeltje van het jongetje vóór hem naar achteren waardoor deze valt. Hij begint te huilen en wordt daarna boos. Maar hij wordt uitgelachen. Met ontzetting zie ik het gebeuren. Nu gaan enkele andere kinderen ook proberen een ander op zijn stoeltje omver te trekken. Door mijn angst heen, door mijn afkeer heen, besluit ik in een flits dat ik me niet onbetuigd mag laten. Ik trek het jongetje vóór me omver. Er is nu in deze eenvoudige handeling iets met mij gebeurd, een precedent….Heel mijn verdere leven zal ik af en toe terug denken aan mijn eerste kennismaking met een wereld buitenshuis die niet aardig is en onveilig maar waaraan ik mij blijkbaar meteen aanpas…

Een juffrouw komt binnen. Er staat een lage kast met spelletjes en dingetjes. Het blijkt leuk te worden: ‘hamertje-tik’ gaan we doen. Daarna krijgen we een vierkant matje en een houten staafje met een scherpe metalen punt en we mogen op papier getekende afbeeldingen langs de buitenrand uitprikken en vervolgens uitscheuren en aan de muur hangen.

Aan het eind van de dag word ik weer door mijn moeder opgehaald. Ik sta met andere kinderen en hun moeders bij de uitgangspoort, rond de juffrouw die door de kinderen, die nu Geleens dialect praten, Juffrouw Mietje wordt genoemd. Mijn moeder probeert mij met wat gemaakt gelach ertoe te brengen haar óók juffrouw Mietje te noemen, maar ik zie aan de juffrouw dat ze mijn moeder niet mag. ‘Juffrouw Mietje’ zeg ik, maar het klinkt zo raar, het is zo’n rare naam voor mij, die een familiariteit veronderstelt die ik helemaal niet gevoeld heb tussen haar en mijn moeder. Ik besef ook niet dat het een verkleinwoord is (dat zal ik pas decennia later, bij terugblik beseffen) en als ik het gezegd heb: juffrouw Mietje, werpt ze me een kwade blik toe. Mijn moeder vindt ook niet het contact dat de andere moeders met elkaar hebben en met een wat buitengesloten gevoel keer ik aan haar hand huiswaarts.

De volgende dag word ik weer naar de school gebracht. Het is mooi weer. Ik zit met juffrouw Mietje en wat kinderen op de zwarte autobanden die, half uit de grond stekend, de zandbak omheinen. Ik kijk uit op de blinde muur van het kerkgebouw. Alleen hoog bovenin zitten ramen, als een mozaiek van een cirkel. Er is de carrosserie van een auto als speelobject geplaatst. De kinderen praten met haar maar als ik verlegen wat inbreng werpt ze alleen even een half verwerpende blik op me. Ik voel dat het door mijn moeder komt. Ik zwijg verder.

Al spoedig breng mijn moeder me niet meer, haalt me niet meer op.Ik ga in mijn eentje naar school en terug. De terug is gevaarlijk: drie of vier jongens schelden me uit, maken trapbewegingen naar me en als ik wegren achtervolgen ze me. Ik moet rennen zo hard ik kan, langs de kerk, door de Prins de Lignestraat, tot halverwege de Mauritslaan, waar ze de achtervolging meestal opgeven. Elke dag gaat dat zo. Ik leer hard rennen.

Een keer, als ik weer buiten adem thuis kom, staat daar mijn zus I. in de keuken achter de strijkplank. Ze vraagt wat er is gebeurd. Ik vertel het verhaal. Ze wordt ontzettend boos. Ze legt met vinnig gebaar haar strijkijzer neer. ‘De batjes,’ sist ze tussen haar tanden.

Op een dag, als de batjes weer direct na afloop van school de jacht op me inzetten, bij de Prins de Lignestraat gekomen, ren ik niet meer weg. Ik blijf staan bij de betonnen, met kiezelsteentjes durin paaltjes en draai me naar hen om, met bang bonzend hart, maar zo onverschrokken mogelijk. Ze minderen vaart. Nu blijken ze niet echt iets te durven doen. Als een van hen naar me trapt, trap ik terug en lach daarbij om te laten merken dat ik de situatie niet ernstig opvat. Blijkbaar krijgen ze respect voor me, want ze beginnen tegen me te praten. Het trappen gaat evengoed nog een tijdje door, en mijn terugtrappen ook. Maar het verandert vrij snel in een uiting van kameraadschap en weldra zijn we vriendjes geworden. Onder hen: Rob R. en John S.

‘If you can’t beat them, join them!’

Het is vrijdagavond. Mijn vader heeft zich al gebaad en geschoren en is beneden in de huiskamer, mijn zussen zijn in de keuken, doen de afwas en maken pret. Mijn moeder is juist klaar met baden en staat in de slaapkamer, in een wit corset met jarretels. Ze heeft een vleeskleurige nylon (ladders repareren met nagellak?) opgerold en trekt hem over haar voet. Dan rolt ze hem af over haar been, naar boven. Ze pakt een plat, rond dingetje van het vierkante tafeltje met het kleedje waarop in garen in allerlei kleuren, afbeeldingen zijn gestikt, waaronder mijn favoriet: de kabouter die een kruiwagen aan zijn handvaten vasthoudt, (komt later in de meisjeskamer) , (de bruine doos, met oorbellen en manchetknopen, kettingen e.d.)

Ze houdt hem tegen de bovenrand van de nylon, wikkelt hem erin en haakt hem in de metalen ding van de jarretel. Ze kan niet goed bij de achterste jarretel komen en daarom heeft ze mij ook bij zich geroepen. Ik zit klaar op mijn knieën, kijk tegen haar gespierde, vlezige benen aan, die me lichte afkeer inboezemen. om de handeling voor haar te verrichten. Waar is mijn vader? Waarom doet mijn vader dit niet? Ze komt zo’n rond dingetje tekort. Ze zegt: “Ik pak gewoon een cent,’ en ik moet opstaan om haar handtas te pakken en naar haar toe te brengen. Ze haalt haar portemonnee eruit en haar wijsvinger roert driftig door het compartimentje met munten, tot ze een er een gevonden heeft. Ik zit alweer gehurkt en moet nu het donkerbruine muntje naar haar gedemonstreerde voorbeeld in de nylon rollen en in het oogje van de jarretel haken. Ik voer de taak braaf uit. Mijn gevoel zegt dat ik dit niet behoor te hoeven doen. Zou mijn vader niet willen?

Een van de dames in de apotheek St. Lucas in de Annastraat heeft een rond litteken op haar wang en een vervormde bovenlip, geen hazenlip, want de spleet zat niet centraal. Tenzij het een hazenlip was die daarna nog eens een dreun heeft gekregen.

Vishandel ‘De kaasbol’ op de nieuwe markt gaan we nooit binnen maar ik kijk er altijd graag naar binnen, ik vind het een erg mooie winkel.

Bij de Gruyter halen we het ‘snoepje van de week.’ De winkel heeft een goudkleurige pui met grote ramen. Ik moet er van mijn moeder wc-papier kopen en ze geeft me opdracht aan een van de meisjes daar om dik papier te vragen, ‘want anders, moet je maar zeggen, ga je met je vinger er doorheen.’ Ondanks mijn twijfel herhaal ik de woorden letter letterlijk en veroorzaak grote hilariteit.

Mijn broer en ik trekken ons niet veel aan van onze moeder. Als ze ons iets opdraagt doen we alsof we haar niet horen. Soms zet ze grote ogen op om boos te kijken, maar dat maakt geen indruk omdat er geen karakter achter doorschemert en ik draai mijn hoofd weg om niet te hoeven lachen. Dan gebeurt het wel eens dat ze met een hand hardhandig mijn kin vastpakt en me dwingt haar in de ogen te kijken. Mijn ogen draaien dan weg.

Dus moeten we op een dag naar oorarts Smelt om onze oren te laten testen. Als de test goed uitvalt zullen we nooit meer kunnen zeggen dat we haar niet gehoord hebben, zegt ze. De uitslag staat voor ons natuurlijk al vast, er zal niets mankeren aan onze oren.

Dokter Smelt…wat een rare naam. In gedachten verschijnt de sneeuwpop in de achtertuin die ’s -winters, als grauwe westenwind dooi heeft gebracht, met een wortel als neus en twee steenkooltjes als ogen, en vijf steenkooltjes op een rij als mond, langzaam weg smelt, scheef in zichzelf wegzinkend, bedekt met zwarte spikkels van roet van de mijn. Zullen we de dokter ook zo aantreffen?

Ik fantaseer dat ik een plasje water op zijn stoel zal zien liggen.

De dokter kijkt in onze oren met een apparaatje, laat ons steeds zachtere tonen horen die we moeten aangeven, verklaart aan het eind onze oren gezond.

Toen ik een paar jaar oud was ging ze vaak zeggen: nooit snoep aannemen van een meneer. ‘Waarom niet?’ ‘Daar kan vergif in zitten.’ Een keer stonden Robbie en ik op de hoek van de straat toe te kijken hoe een meneer bij Jamin een roldrop trok uit de Nikkelen (?) automaat. We vroegen om een dropje en kregen er beiden een. Ik bleef volhouden tegen moeder: ‘dan kan er toch geen vergif in zitten? Uiteindelijk zei ze, nog steeds haar bezorgdheid achter een moederlijke glimlach wegdrukkend: ‘Nee, dan kan het niet.’ Ik voelde dat er een andere reden was die ik niet kende noch mocht kennen en ik vroeg niet door.

Later begreep ik natuurlijk dat daar inderdaad vergif in kon zitten. In overdrachtelijke zin. Maar toen was de ellende al gebeurd zonder dat er een aanbod of enige grooming of een geveinsde liefde aan vooraf ging.

Van Robbie leerde ik vieze geplette kauwgum van het trottoir af te pulken en op te gaan kauwen. Ik deed dit om het vriendschapsgevoel met Robbie te bestendigen maar vond het eigenlijk slechts, stom, ongehoord, Nadat ik mijn moeder er een keer over vewrtelde en zij hetzelfde oordeel velde, stopte ik ermee. Maar het ging om vriendschap.

Mijn moeder heeft een zwart mantelpakje met een grijze, bonten kraag

Mijn moeder had een zwak karakter. een minderwaardigheidscompex waardoor ze zich snel bedreigd voelde, en als konsekwentie daarvan vol berispingen was van wie zo vrij was een beetje onbekommerd zichzelf te zijn

Zo herinner ik me dat op wat een verjaardagsfeestje van me zal zijn geweest, ze voor mijn vriendjes en ik kroketten had gefrituurd. Tot mijn lichte schrik vroeg Rob Reijnders haar of er mosterd bij was. Het was min of meer als Oliver twist, die de autoriteit der volwassenen uitdaagde door om ‘meer’ te vragen. Mijn moeder had het niet verstaan en zei ‘wat zeg je?’ Rob, die inmiddels een hap van zijn gloeiend hete kroket had genomen probeerde toch antwoord te geven. ‘Mosterd,’ zei hij kortaf en onduidelijk, hiertoe gedwongen doordat hij met open mond en hitte moest afblazen om de hete hap kroket in zijn mond te koelen. Zomaar om mosterd vragen was al een gotspe voor haar, die ook altijd tegen mij zei’Kinderen die vragen worden overgeslagen,’ maar de manier waarop was de limit voor mijn moeder. Op zo’n gebiedende wijs, zonder met twee woorden en een ‘alstublieft’ te spreken…. Ik hield met gebogen hoofd mijn ogen op de tafel gericht terwijl ik haar terecht wijzende preek aanhoorde.

Later kwam ik er nog eens op terug met Rob. Hij had het er met zijn moeder over gehad en zij hadden besloten dat hem niets kwalijk te nemen was en dat de zaak verder onbelangrijk was, want het lag aan mijn moeder…Wat een heerlijke vrijheid moet dat zijn, dacht ik bij mezelf, zo vrijelijk te kunnen denken als hun…Tegelijkertijd dook de me bits tot de orde roepende gestalte van mijn moeder me weer angstaanjagend voor het geestesoog.

————————————————————————————————

Uiengebakkensmelt

Rob later bij de hanenhof…en het dedain van ron d evader en de drank corner house

Met twee woorden spreken was een gebod dat er hard werd ingeperst. Raampje oudejans ‘blijf maar,’

Heel mijn moeder bestond uit opvoedkundige berispingen.

Twee maal is het gebeurd dat ik na het plassen in de ritssluiting van mijn gulp dichttrek terwijl mijn piemel inderhaast nog niet geheel binnenboord is gebracht. Dat ik schreeuwde van pijn en schrik, en twee maal heeft mijn moeder op haar knieën voor mij gezeten om het ding te verlossen, en van één maal herinner ik me dat daarbij de tranen langs haar wangen biggelden.

Op het terras van Johnny Savelkoul, waat krielkipjes rondwandelen. Ik observeer haar voor het eerst zonder zelf te worden gezien. Ik zie haar bekende drukke bedrijvihe gestalte de was van de waslijn halen en in de rieten wasmand doen, ik zie het vanaf de\\het balkonterras van Savelkoul, waar de krielkipjes rondlopen.. Ik eigen me iets toe wat niet van haar mag: haar ongezien op afstand observeren en beoordelen. Mijn moeder als een vreemde, die de moeder is die mij altijd in de gaten houdt, berispt etc. Vreemd vreemd moment.

Dan de scene met de boxer van savelkoul….

Le charme discrete de la bougeoisie. Ik zag de film met Wil Rouleaux en Tijsger Boelens en LuukWillems in een Tilburgse bioscoop. Langdurige wandelingen van een zwijgend gezelschap, dat nu en dan een poging tot ….deed. Wil had later op de katholieke leergangen nog met anderen gepraat over wat de functie van die langdurige scenes was. ‘ Om te laten zien dat de mensen niets met elkaar hadden,’ hadden ze geconcludeerd.

Ikzelf zag alleen maar mijn familie. Zo ging het bij ons. Als er niet werd gekibbeld tussen moeder en dochters.

‘Het zijn sterke benen die de weelde dragen.’ Het kwam geregeld misprijzend uit haar mond als de tv weer een roddel of zogenaamd schandaal onder de aandacht bracht. Lizz Taylor was het grootste mikpunt. Niet alleen beging ze de zonde sexy te zijn, maar ook nog eens verschillende malen te trouwen met en te scheiden van die andere verkeerde meneer, Richard Burton.

Een ander toppunt van ‘niet goed” was de vrouw die èn mooi en sexy, èn intelligent was en hoge functie in het mannenbastiljon bekleedde. Hedy d’Ancona.

Ik weet niet zeker of zij het was (in gezelschap van een andere vrouw) die ooit ARP-politicus Bauke Roolvink van ik weet niet meer wat beschuldigde, die daarop zei: ‘Nu moet ik me wel inhouden, want u bent een dame.’ Die dame antwoordde ‘O, dat hoeft helemaal niet hoor!’ Roolvink kon zich toen niet meer inhouden en schreeuwde ‘Nee, maar het is wèl mijn keus.’ De vrouw keek tevreden toe. Mijn moeder riep tegen mijn vader: ‘O, nu krijgt ze toch nog haar zin, snap je, Jaap?! Mijn pa knikt instemmend. Nu, achteraf, denk ik dat ze misschien eigenlijk zich iets ontzegde wat die vrouw gewoon deed, maar die vrouw moest het zich dan ook maar ontzeggen.

De tweelingzusjes Mieke en Liesbeth Stans spreken mij op straat vriendschappelijk aan in de sfeer van ‘jij kan er ook niets aan doen dat je zo’n moeder hebt.’ Ik kat ze stevig af.

Moeder en zon in de kamer. Op de radio Queen’s Bohemian Rhapsody: ‘mama, life had just begon, and now I’ve gone and thrown it all away…’

Mama…ze werd aangeroepen en lette op wat zou komen, terwijl ze me schuin van opzij opneemt, die jongen die op zijn negende een andere jongen werd, die ze daarna honderden malen zou vragen: ‘een dubbeltje (of was het een kwartje) voor je gedachten. En ze ziet mij zeggen: het leven is nog maar net begonnen, maar nu heb ik alles weggegooid. Ze knikt beamend. Stilletjes begint ze te huilen.

Jacob worstelt met de engel. Dat beeld ken ik uit de plaatjes. De engel staat voor het goede, dat weet ik. Wat Jacob bezielde weet ik niet. Ik weet ook niet meer wat mij bezielde, maar naar mijn vermoeden iets gezonds, toen ik boos werd en mij van mijn moeders schoot wilde losmaken maar zij hield mij tegen. Zij hield mijn worstelende armen vast bij de polsen en keek me aan met een blik in haar ogen alsof zij de goede almachtige nuffige zelve was. Ik was machteloos. Mijn wil moest gebroken.

Het afwaswater moet goed warm zijn, heet zijn, maar ik verbrand mijn handen zowat als ik de borden uit het water til om met het lola-borsteltje schoon te wrijven. Dat zint mijn moeder niet. Met een sadistische trek op haar gezicht pakte ze mijn beide handen beet om ze onder water te dompelen. Maar door de hitte moet ze ze snel weer loslaten, ‘Het is inderdaad wel wat heet,’ zegt ze, en voegt wat koud water uit de kraan toe,

Niettemin heb ik er een levenslang plichtgevoel tot het gebruik van zo warm mogelijk afwaswater te gebruiken aan overgehouden. Zoals ik het ook nog steeds niet kan nalaten om na de eerste veeg het wacpapier te vouwen om nog eens te vegen. Althans, nadat de ergste stront al verwijderd is.

Zus M. heeft altijd iets gehad met het beeld van onze moeder die haar op haar blote billen op een hete kachel plaatst, in haar dromen, geloof ik. Of in haar dagdromen. Ik heb haar enkele malen ons moeder daarover horen vertellen

Veel veel later, toen zus M. psychisch erg labiel werd en nu en dan in de Paets verbeef, maakte ons moeder zich erge zorgen en ze zei eens tegen me: als Marian vindt dat ze een rot-moeder heeft moet dat kunnen en moet ze het oplossen. Ik vertelde dat eens aan Marian door, die er wat zenuwachtig om lachte, immers, zoiets is moeilijk door zijn tegenstrijdigheid weet niet kan nie uitlegge

tot zo ver 7-7-2019

 
Een reactie plaatsen

Geplaatst door op juli 7, 2019 in Uncategorized

 

Vader

VADER

Ik heb nog kleine voetjes en die dribbelen over de overloop. Mijn moeder tilt me op en draagt me met zich mee naar het ouderlijk bed waarin mijn vader tot aan zijn middel onder laken en deken ligt. Het is de eerste maal dat ik zijn naakte bovenlichaam zie.

Op het nachtkastje, aan mijn moeders zijde van het bed, posteert het donker eiken nachtkastje met het vierkante, van afgeronde hoeken voorziene glazen blad, waaronder een rond, witkleurig haakwerkje. Er is het kleine, donker eiken schemerlampje met het perkamentgeel kapje waarvan de rand is gestikt met goudkleurig garen. En er staat een dun boekje, rustend op haar opengeslagen bladzijden, als een klein campeertentje: ‘Het Beste uit Reader’s Digest.’

Ik lig nu, in mijn onderbroek, tussen mijn vader en mijn moeder in.

Mijn moeder moedigt mijn vader aan mij aan te raken. Ik draai mij naar hem toe. Ik zie zijn gezicht, waarop even een bange, verkrampte glimlach verschijnt, vergezeld van donkere ogen die vluchten naar een binnenin hem verborgen schuilplaats. Nu is er alleen nog zijn gekromde, afwerende rug.

Mijn moeder moedigt míj aan mijn váder aan te raken. Mijn hand gaat naar hem toe, maar mijn aanraking is kort en angstig, want ik kom aan iets wat ik niet mag aanraken, dat voél ik… Zijn lichaam had klam aangevoeld en kromp bij mijn aanraking ineen. Ik zie de minuscule zweetdruppeltjes op het bleekgele vlees van zijn rug, dat zo contrasteert met het aan wind en zon blootgesteld, bruinrode, verweerde gezicht dat ik al ken. Zijn hoofd is, samen met zijn handen en een wit stukje been tussen broekspijp en sokken, het enige wat ik tot dan toe van zijn lichaam heb gezien. Het steekt altijd uit boven de gestevende kraag van een hagelwit overhemd waaromheen een stropdas is geknoopt. Het heeft van brylecream glanzend, strak tegen de schedel achterwaarts gekamd, zwart haar, en in zijn nek staan twee diepe, horizontale groeven. Die nek lijkt op de van bovenaf geziene Grand Canyon, waarvan ik foto’s zag in Het Beste uit Reader’s digest.’ Die groeven intrigeren mij. Ze stammen uit een verleden…

Mijn vader is een geheimzinnige man en hij herhaalde een uur geleden weer datzelfde grapje: ‘Kadoedelatoe!’ (Ka, doe de la toe!).

Mijn moeder trekt mij nu naar haar toe, en legt mij bovenop haar. We kijken naar elkaars ogen, want wie het eerst het met de ogen knippert is áf. Als een van ons de reflex niet meer kan onderdrukken, roept de ander triomfantelijk: ‘gewonnen!’ en we lachen van de pret. Nóg ‘n keer!

Ook trekken we om beurten neus en bovenlip op, waardoor deze raar gaan trillen. Dat spelletje doen we op míjn verzoek, maar mijn moeder wil dat niet ál te lang spelen; ze vindt het wat raar.

We gaan weer ‘niet met je ogen knipperen’ doen.

Maar nu moet ik in mijn eigen bed gaan liggen!

– ‘Nee… nee, nóg ‘n keer!’

– ‘……..’

– ‘Nog één keer…?’

Het is vrijdagavond. Mijn vader en moeder gaan zo dadelijk naar de kienavond in ‘het casino,’ waar zij collega’s van mijn vader en hun vrouwen zullen ontmoeten. In mijn verbeelding staan al die collega’s, net als mijn vader nu, in witte onderbroek en wit overhemd in een badkamer . Casino-bezoek is een min of meer gewichtige gebeurtenis en er heerst lichte opwinding in huis want ze moeten op tijd daar zijn…bij mensen aan wie ze zich niet zó maar kunnen vertonen, want ze zijn in hun ogen belangrijker dan henzelf…dat gevoel krijg ik.

Mijn vader staat voor de wastafelspiegel. Op de zwart marmeren vensterbank zie ik een nagelschaartje, twee goudkleurige manchetknopen, een plat doosje lucifers, een wit kartonnen pakje Golden Fiction sigaretten… Maar mijn aandacht gaat uit naar dat ronkend en snorrend apparaatje dat danst en wervelt over mijn vaders kaken.

Hij bemerkt mijn nieuwsgierigheid, legt het apparaat even terzijde, en in zijn grote handen zweef ik opeens door de lucht en land op het deksel van de metalen prullenbak naast de wastafel. Zijn gezicht is nu binnen handbereik en mijn wijsvinger gaat, het apparaat nadoend, heen en weer over zijn kin. Plotseling hapt hij toe en mijn vinger komt klem te zitten tussen zijn kaken. Hij heeft zijn lippen om zijn tanden gekruld om mij niet te bezeren. Ik schrik en kir van plezier tegelijk. Terwijl mijn vader verder gaat met scheren, beweegt opnieuw de top van mijn vinger over zijn stugge, raspige kaken, maar nu let ik op niet te dicht bij zijn mond te komen… Er gebeurt evenwel niets, en uitdagend durf ik wat dichterbij te komen …. – maar dan hapt hij plotseling weer toe, en wéér heeft zijn mond mijn vinger beet! Zijn mond laat mijn vinger los, en het spelletje kan weer beginnen. Maar nu ben ik alerter dan zoëven… Té alert; ik trek mijn vinger vlug terug zonder dat hij heeft toegehapt.

– ‘Wat is er, Eric?’ vraagt hij pesterig. ‘Ik dóe toch niks…?’

– ‘Nee…!’ roep ik dol van pret uit.

Het spelletje gaat nog even door. Dan is hij klaar met scheren en hij schudt uit een melkkleurig, met de afbeelding van een zeilschip versierd flesje wat vocht in zijn hand en dept ermee zijn kaak. ‘Old Spice’ staat erop.

Het eveneens melkkleurig scheerapparaat wordt boven de wasbak schoon geblazen en opgeborgen in het medicijnkastje aan de muur.

Er blijft een vreemd, grijs poeder in de wasbak achter. Het lijkt op de as in de asla van de kolenkachel in de huiskamer.

We zitten rond de avondmaaltijd geschaard. Boven de met wit kleed bedekte tafel, hangt de lamp met de perkament-kleurige, afhangende stoffen kap met de rafelige rand.

Damp stijgt op uit de schalen, net als bij Olie B.Bommel in het avondblad ‘De Tijd,’ dat dagelijks de brievenbus binnen glijdt.

Boven de kamerdeur hangt Jezus aan zijn donker-eiken kruis te somberen.

We bidden onder leiding van mijn moeder. Eerst doen we het ‘Onze Vader,’ daarna ‘Wees gegroet Maria.’ Wanneer we de zo min mogelijk doorvoelde versjes wel érg snel afratelen, verheft mijn moeder haar stem en maant ons zo het tempo te vertragen.

Op gegeven moment gaat zij aan de gebeden een solistisch ‘Here zegen deze spijze, Amen’ toevoegen en meteen daarna moeten we haar onze borden aanreiken waarover ze het vlees verdeelt. Mijn vader krijgt, als eerste, het grootste stuk.

Mijn moeder houdt als een kloek onze tafelmanieren in de gaten en corrigeert waar nodig.

Mijn vader zit aan ‘het hoofd’ van de tafel, aan mijn rechterzij. Hij maakt, op zijn verlegen wijze, een grapje, maar mijn moeder en mijn zussen lachen hem uit.

– ‘Nee, nee, jullie begrijpen het niet!’ verweert hij zich.

Mijn zus G. roept gemeen lachend uit, met de nadrukkelijke bedoeling hem voor gek te zetten:

– ‘O, we begrijpen het maar ál te goed.’

Mijn vader zwijgt verder…

Nu is iets gebeurd wat ik voor de rest van mijn leven niet meer vergeet. Mijn vader, beeld waaraan ik, zo besef ik opeens, een voorbeeld wil nemen, wordt uitgelachen!

En hoewel ik zijn grap niet in zijn al dan niet grappige essentie heb kunnen begrijpen, verkeer ik in twijfel. Pakken mijn zussen hem op zijn verlegenheid? Of begrijpen ze inderdaad zijn humor niet? Het is het laatste…Nee, het is allebei. Maar vooral ook het laatste.

Mijn vader is eenzaam…

Mijn moeder en zussen kibbelen veel gedurende de maaltijden.

Soms, als mijn vader daar niet meer tegen kan, of omdat het gespreksonderwerp hem nerveus of bang maakt, landt met een dreun zijn vuist op tafel en iedereen krimpt ineen en houdt zich doodstil. Er mag niet meer worden gepraat aan tafel…Er ligt een jusvlek op het witte tafelkleed.

Ook ík ben bang voor hem. Hij is zo snel gekwetst…

Soms wordt ik door hem naar boven gestuurd, zonder te weten wat ik heb verkeerd gedaan. Ik voel dat het onmacht van hem is. Dat het hem onzeker maakt. Dan sta ik boven aan de trap, en hij staat beneden, in dat stugge, grijze kostuum, en ik roep hem hoofdschuddend, en mij bewust van de mijn leeftijd niet passende en daarom ook wat vernederende intenties, toe: ‘Helemaal foút…!’

(Decennia later zal hij daar lachend op terugkomen: ‘Jij was vroeger een krengetje, dan zei je tegen me dat ik helemaal fout deed. Ik zei verrast: ‘dat herinner ik me opeens!’ en voegde daar aan toe ‘dat meende ik ook!’ Hij lacht knikkend)

Soms brengt mijn zus M. mij even later stiekem op mijn kamer een boterham. Ik ervaar dat als overdreven, en als oneervol; ik heb dat helemaal niet nodig, zo’n concessie aan mijn gelijk.

Aan het eind van elke werkdag komt hij op een grote zwarte fiets van de mijn vandaan gefietst. In korte broek zit ik op de metalen elektriciteitskast op de markt zijn komst af te wachten. De eerste keer dee ik dat op voorstel van mijn moeder, daarna wil ik elke dag. Er hangt verlangen in de lucht. Ik hoor de auto´s brommen. Fietsers passeren me. Het loopt naar het begin van de avond. Ik tuur de Annastraat in…kan ik hem al tussen de andere fietsers onderscheiden?

Daar is hij…Hij stopt en zet mij op de bagagedrager. Hij, mijn vader, fietst zijn zoon door het centrum van Geleen. Ik word gezien met mijn vader….Mijn vader wordt met zijn zoon gezien…Zal hij zelfvertrouwen en autoriteit uitstralen naar de mensen die ons bekijken? Zal hij, zo nodig voor mij kunnen opkomen? Mij beschermen. Ik kijk naar zijn achterhoofd. Soms kijkt hij even half achterom naar mij. Zijn gezicht verraadt de inspanning waarmee hij zich hoog houdt. Hij doet zijn best. Hij redt het nét, hij komt nét door de test. Maar er zijn ook geen beproevingen geweest. Ik betwijfel of hij die zal aankunnen. Daarom ben ik blij voor hem. En voor mij. Het zijn gedachten die ik niet wil hebben.

Op gegeven moment, vermoedelijk zijn mijn oudere broer en zussen al uit huis, breekt de tijd aan dat mijn moeder initieert dat mijn vader en ik samen in bad gaan. Mijn vader, met zijn witgele, besproette huid waar hier en daar een blauwige zweem doorheen schemert, en zijn dunne, dijloze benen en rossig schaamhaar. We baden in hetzelfde water waarin mijn moeder haar nerveuze lichaam zojuist heeft gewassen, en waarop grote, vuile schuimvlokken drijven. Mijn benen zijn ingesloten door de zijne en ik ben bang ze te zullen raken. Bang dat mijn voeten nog een keer zijn geslachtsdeel zullen beroeren, zoals daarnet per ongeluk is gebeurd.

Dat voelde vreemd zacht aan.

Verkrampt houd ik mijn benen bijeen. Mijn vader steekt een witte arm met bruine moedervlekken omhoog en zeept deze, om het goede voorbeeld te geven, demonstratief in met een washandje. Het is vreemd hem in de weer te zien met zoiets poezeligs als een washandje, en ik vermoed hierin de hand van mijn moeder.

Ik werp nu een heimelijke blik op zijn geslachtsdeel. Het beweegt traag heen en weer op lichte deiningen in het badwater, wuivend als vegetatie in een sloot. Maar ik durf er niet lang naar te kijken. En het sop bemoeilijkt het zicht; ik moet wachten tot er een wak verschijnt in het kroos van witte schuimbubbeltjes.

Even later werp ik nóg een keer een blik…

Verbeeld ik het mij of zie ik er… twee? Ik zie er twéé! Mijn vader heeft twee piemels! Twéé!

Robbie, Johnnie en ik zitten op de rand van de stoep voor ons huis. Zij gaan elkaar overstemmen met prettige verbazing en groeiende grootspraak over de afmeting van hun vaders piemel.

Onzeker breng ik in: ‘mijn vader heeft er twéé.’

De stilte is slechts kort, daarna breekt hilariteit los.

– ‘Ja echt…’ verweer ik mij, ‘ik zag hem… en eronder was er nóg een… die zweefde in het water…’

Maar ik begin tegelijk te twijfelen aan mijn bewering. Johnnie bemerkt dat, en zet nu het lachen, met een valse glans in de ogen, extra aan. Maar Robbie steunt me bij mijn poging tot gezichtsherstel. Ik zeg: ‘Ik zal het wel niet goed gezien hebben…’‘Nee, dat zal je vast niet goed gezien hebben,’ zegt hij amicaal.

Ik sta in de badkuip, met in mijn hand de lege plastic shampoofles, die ik daarnet nog, in het water gezeten, met blub-geluiden makende luchtbellen liet vollopen met water om daarna, zo ver mogelijk spuitend, leeg te knijpen.

Ik kan de aandrang niet tegenhouden: ik steek mijn piemel in de hals van de fles. Hoe ver kan ik gaan? Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar mijn vaders rug. Die staat zich voor de spiegel te scheren

Hij kan het toch niet zien, denk ik…

-‘Ja, ik zie het tóch wel, hoor!’

Zijn donderende stem heeft de heimelijke stilte doorbroken.

Verschrikt kijk ik op en zie in de spiegel zijn donkere ogen weer terugkeren naar zijn eigen, ondoorgrondelijk spiegelbeeld.

Mijn moeder stopt me in bed. Ze verlaat de kamer en gaat naar beneden. Niet veel later komt van beneden het ratelend geluid van de klem op de kamerdeur. Dan begint het… hij sluipt op de trap naar boven.

Hij maakt amper geluid als hij de treden beklimt, maar af en toe hoor ik de trap kraken, en dan weet ik tot op ongeveer welke trede hij is genaderd.

De tweede bocht is het moeilijkst geruisloos te nemen. Hij stapt zo dicht mogelijk op de buitenste zijde der treden, aan de muurzijde. Daar kraakt het hout het minst, dat weet ik uit ervaring.

Dan is hij gearriveerd op de verlichtte overloop en zijn schaduw valt door de openstaande deur de kamer binnen. Ik doe nu mijn ogen, die half hebben open gestaan helemaal dicht en met gespitste oren houd ik me doodstil. Ik klem mijn middenrif af en zorg er voor dat mijn ademhaling nauwelijks waarneembaar is, dat de dekens amper op en neer bewegen. Mijn handen houd ik geklemd tussen mijn opgetrokken benen, mijn piemel beschuttend.

Ik beeld me in dat hij een leeuw is, met rossige manen, die me zal verscheuren zodra ik zal blijken te ademen, te leven.

Hij is nu heel dichtbij en buigt zich misschien al over mijn bed…

Als mijn moeder me in bed stopt gaat ze me steeds steviger inpakken.

Het melkwitte, met roestbruine plekken bedekte tweepersoons-opklapbed dat ik vroeger met mijn oudere broer deelde, wordt naar beneden geklapt.

Drie grijze, rubberen fietssnelbinders voorzien van uit geplastificeerd ijzerdraad gebogen haken hebben het matras overspannen om het op zijn plaats te houden maar worden nu losgemaakt.

Ik zit, naar wens van mijn moeder en met ingehouden tegenstribbeling, braaf in een lichtblauwe pyama geknield voor mijn bed, op het koude zeil, de handen devoot tegen elkaar en het hoofd deemoedig omlaag, met de ogen gesloten. Naar voorbeeld van het gipsen jongetje in blauw slaapgoed aan de spijker boven het hoofdeind van mijn bed. Ik wil dat brave jongetje helemaal niet zijn…

Op de een of andere manier ben ik mij altijd bewust van mijn kruintje waar haartjes rechtop blijven staan.

Mijn moeder gaat me elke avond steeds steviger toestoppen, strakker inpakken.

Als het koud is heeft de in een theedoek gewikkelde, loden kruik met messing dop het bed al wat vóór verwarmd. Die ligt dan aan mijn voeten.

Op een avond, als ze me weer onder het strakke laken en deken heeft ingepakt zegt ze met meewarige glimlach tegen me: ‘Het liefst spande ik ook nog de snelbinders over je heen.’

Ik glimlach terug. Zij weet er dus van… Wij begrijpen elkaar zonder het te hebben uitgesproken. Het zal ook nooit meer ter sprake komen, het hoort bij de dingen die niet worden uitgesproken. Wat niet wordt uitgesproken bestaat niet…

Ze tekent met haar duim een kruisje op mijn voorhoofd.

Als ze weg is de dekens met mijn voeten en knieën wat losser trappen want anders kan ik me niet bewegen.

Ik hoor de klok van het stadhuis slaan. Door een spleet tussen de dichtgeschoven bloemetjesgordijnen kan ik de tijd kan aflezen die de goudkleurige wijzers aangeven. Ik houd de oren gespitst om elk geluid, hoe klein ook, te horen. Ik hoor niets.

Ik val in slaap.

We zijn weer in de badkamer, mijn vader en ik.

Hij staat zich opnieuw te scheren. Maar niet met het snorrend apparaatje.

Met een zilverkleurig houder met een mesje erin haalt hij schuim weg van zijn tot rare grimas vertrokken gezicht. Hij steekt zijn kaak naar voren, waardoor het kuiltje in de kin dieper wordt en het lijkt of hij hevige kiespijn heeft.

Het schuim heeft hij met een kwastje losgemaakt van een rechtopstaande zeepstick. Dat doet hij nét onder de top waar, door de daar ontstane inkeping, de top van de stick op een eikel en daarmee het geheel op een korte, dikke piemel gaat lijken. Hij staat daar, in witte onderbroek en wit hemd, met dat onaanraakbare lichaam.

De trap begint weer te kraken… Uiterst langzaam en behoedzaam klimt hij nader… Hij is weer de leeuw met de gevaarlijke, rossige manen… Ik heb de dekens ver over mij heengetrokken, de handen tussen mijn opgetrokken benen geklemd, mijn geslacht omsluitend, en ik lig doodstil.

Hij is nu in de kamer en loopt naar het bureau. Hij trekt de la open, en tilt deze daarbij een beetje op, zodat het schuiven zo min mogelijk rumoer maakt.

Wat zoekt hij? Zoekt hij wel wat? Waarom doet hij alsof hij iets zoekt?

– ‘Nee….nee…..’ hoor ik hem zichzelf vermanen.

Hij voert een strijd met zichzelf.

Er gebeurt verder niets. Hij verlaat de kamer en gaat weer naar beneden.

De leeuw kom mettertijd, vóór het inslapen, in mijn fantasie mijn kamertje binnen geslopen, ook wanneer mijn vader niét binnenkomt.

Deze is nu in de kamer naast de mijne, voorheen ‘de meisjeskamer,’ waar mijn drie zussen in hun bed warme melk dronken uit mokken in dezelfde lichtblauwe kleur als hun nachtjapon.

Het is mijn vaders werkkamer geworden. Hij zit achter zijn tekentafel.

Op het houten blad, waarin honderden punaises kleine gaatjes hebben achtergelaten, is een vel papier vastgeprikt. Daarop een ondoorgrondelijk abacadabra van lijnen, cirkels en getallen, een strenge wereld van geometrie.

Plattegronden, installaties, naftakrakers, vergezeld van onbegrijpelijke wiskundige formules.

Meestal zijn het half transparante vellen, voorbedrukt met zwartlijnige kaders. Rechtsboven staat in vette letters: DSM,=tters en de drie koeltorentjesrbedrukt met ge daarbij een tekening van drie koeltorentjes die ook op de vellen van zijn schrijfblok staan. Soms tekent hij op ‘gewoon’ wit of crême papier. Die vellen rolt hij na gebruik op. Hij strikt de rollen met reepjes katoen en plaatst ze rechtopstaand in een hoek.

Op een laag tafeltje naast hem liggen potloden, passers, gradenboog, rekenliniaal binnen handbereik. Hij gebruikt inktgummetjes om fouten uit te vlakken, of scheermesjes om ze weg te krassen.

De tekentafel is uitgerust met een metalen arm, waaraan een spiraalveer die nu en dan metalige geluiden voortbrengt die lijken op die van de spiralen van mijn bed wanneer ik mijzelf omdraai. Zo lang ik die korte geluidjes van metaal hoor en ik veroorzaak ze niet zelf weet ik dat hij op zijn plek blijft en niet naderbij komt.

Ik houd mijn oren gespitst….ik hoor nu al heel lange tijd niets….

Dan, opeens, hoor ik het kraanwater in de badkamer lopen…(hij spoelt met water inkt van een tekenpennetje) Dan is er weer een tijdje niets, dan hoor ik zijn zachte, mij niet wakker maken mogende voetstappen, gedempt door de rode pers op de overloop. Soms kraakt een plank met een korte tik.

Even later verneem ik vanuit zijn kamer een krassend geluid. Ik weet: hij scherpt een okerkleurige hb-potlood van Bruynzeel op een strookje schuurpapier, vastgeniet op een houten latje Hij gebruikt geen potloodslijper, dat heeft hij zichzelf verboden, om geen grafiet te verkwisten. In plaats daarvan hanteert hij een scherp mesje waarmee hij het grafiet bloot snijdt.

Soms, steeds minder vaak, komt hij op mijn kamer, zoekt iets in het bureau…

Het is geen bedreigende gebeurtenis meer…

Het ‘verhaaltje uit Geleen’ heeft plaats gevonden…Het nog veel ergere in manege Ten Eijsden heeft plaats gevonden.

Ik zit, gekleed, op de rand van de badkuip. Het blauwe vlammetje in de geiser danst als een spookachtige, kleine, einzelgänger met bibberaties.

Ik zeg tegen mezelf: ‘Ik ben nu negen jaar oud, dat moet ik onthouden…’

Bij een volgende gelegenheid, verderop in de tijd, sta ik in de badkuip mij in te zepen. Mijn vader staat zich te scheren op de vertrouwde plek, werpt een korte blik op me.

-‘Meisjesbillen…’

Hij heeft het zich schamperend laten ontvallen. Hij heeft verachtend zijn neus opgetrokken. Nu keert zijn aandacht weer terug naar het eigen gezicht in de spiegel, naar zijn gezichts-oppervlak.

Meisjesbillen…Ik krimp ineen. Ik kijk dwaas voor mij uit.

Het badkamerraam is beslagen.

Meisjesbillen…schaamte…

Hij is klaar met scheren en verlaat zonder nog iets te zeggen de badkamer.

OP een dag open ik de deur van de badkamer, die klemt doordat hij is uitgezet door condenswater. Mijn moeder heeft, nadat ik haar een keer tot haar diepe schrik naakt aantrof, met opgeheven vinger me gemaand om, wanneer het licht brandt, te klóppen. Maar er brándt geen licht. Ik stap de badkamer binnen en wanneer ik de deur weer sluit komt daarachter de bangelijke gedaante van mijn vader tevoorschijn. Hij staat er als een kleine jongen, in een slobberende witte onderbroek, met zijn handen voor zijn kruis.

Dunne, bleke dijbenen. Geknikte knieën.

Ik zeg niets, draai mij om en verlaat de badkamer.

Op de overloop denk ik: wat zou hij nu denken? Welke gedachten zou hij míj nu toedenken? Welke informatie wordt voortaan bewaard in zijn hoofd? Ik weet dat het gebeurde in de toekomst nooit tussen ons ter sprake komen. En dat ik hem nooit te lang moet aankijken.

Ik ben nu twaalf jaar oud. De meubelstukken van de voorkamer zijn naar de achterkamer verplaatst. De ordening van de hand van mijn moeder is verdwenen en een gevoel van bewegingsvrijheid is ontstaan.

De vloer ligt erbij als een verstilde zee bedekt met kruiend ijs: geweekte en afgekrabde, gescheurde stukken behangpapier.

Behang afschrapen is muren vol geschiedenis te lijf gaan. Geheimzinnigheid willen doorvorsen. Archeologie bedrijven. Laag na laag, steeds verder teruggaand in de tijd, laat een mysterieus verleden van vóór mijn aanwezigheid zich bloot leggen. Vind ik achtergronden van mijn vader, een verleden misschien van vorige bewoners? Vind ik iets terug uit de tijd van ‘de oorlog,’ waarover zij vroeger vertelden?

Ik haal telkens een laag behang weg en staar naar de daaronder tevoorschijn gekomen volgende laag, maar ik staar me dood. Soms ruik ik eraan. Het ruikt muf, als boven op zolder waar, in de klankkast die de lege, houten ruimte is, het gezoem van DSM rondwaart. Een geluid van verdoemenis.

Vader vertelt me dat er ook nog behang op zit van mensen die vóór ons hier woonden. Dat ervaar ik wat als een ontwijding.

Ik vind het leuk hoe hij mij leert hoe het allemaal moet en hij brengt mij allerlei kneepjes bij. Hij draagt de grijze stofjas die altijd bovenaan de keldertrap aan een spijker hangt, die te strak zit rond zijn postuur, met zakken vol schroefjes en dingetjes voor halfslachtige, al dan niet vergeten plannetjes.

Hij torent nu, op een trapleer, hoog boven mij uit met een paletmes in zijn hand en kijkt zijwaarts naar beneden naar míj, zijn zoon… Hij wordt zich nu zijn zoon gewaar… Mijn aanblik brengt hem in verlegenheid. Het bruin van zijn ogen wordt minder donker, amberkleuriger, maar het licht in zijn ogen verdwijnt weer, uit afweer.

Maar hij is niet zomaar verlegen… nee… hij is báng. Zijn zelfbeeld als vader, plotsklaps op een sokkel geplaatst, in een spotlicht gevangen… het wankelt…

Ik wend mijn ogen af om hem niet verder in verlegenheid te brengen of een defensieve kwaadheid bij hem los te maken.

Ik hoor deze gedachte voor het eerst, en ik hoor haar niet gearticuleerd, maar in de echoënde ruimte in mijn achterhoofd klinken de woorden: mijn vader heeft mij verlaten…

Op de schouw staat de radio. ‘Up, Up in the sky, in my Beautifull balloon.’

Nancy Sinatra zingt het. Het drukt het optimisme uit waartoe mijn moeder, die ook van Doris Day houdt, mij steevast aanmoedigt: geproduceerde blijdschap.

Ik weet dat ze het goed bedoelt en soms lach ik maar een beetje scheef, met mijn rechter gezichtshelft. Dan zegt ze: ‘Eric is nog te lui om te lachen.’

Ik bestudeer en beschouw mijzelf bijna voortdurend als van buitenaf.

Mijn zwaarmoedigheid verdwijnt niet, hoezeer ook Nancy Sinatra’s zangstem me probeert op te tillen naar lichtere hoogten. Met lood in mijn schoenen klamp ik me evengoed vast aan die zangstem. ‘Would you like to fly…’

Nancy Sinatra… Ik zal later nooit ’n meisje kunnen krijgen, vertelt mij een geheime gedachte, die ik toelaat met geveinsde onverschilligheid.

Up. up and away….’

De eiken boekenwandkast is van de muur weggeschoven, zodat ook daarachter behang kan worden verwijderd. Ik heb hem, om hem lichter en gemakkelijker verplaatsbaar te maken, eerst vrijwel leeggehaald, maar er staan nog wat dikke, in imitatieleer gebonden banden van Reader’s Digest in. Ze bevatten samengevatte versies van bestaande romans, waarin mijn vader nu en dan leest.

-Dan hoef je tenminste niet het hele boek te lezen,’ vertelt hij me.

Ook staat er het platenboek van Reader’s Digest: ‘The world’s greatest composers,’ maar er wordt nooit een plaat van afgedraaid op de pick-up

Hoe vaak heb ik niet van mijn moeder te horen gekregen hoe het hoort…En toch… niet vandaag….vandaag is anders. Vandaag wordt de lijn gevierd die ‘je moeder,’ zoals haar man haar altijd met afstandelijkheid aanduidt, spoedig weer zal strak trekken.

Hij heeft me opgedragen iets te kopen bij de fietsenmaker op de Kleine Markt. Het schemert al als ik de Agnes Printhagenstraat uitloop. Een enkele passant neemt me op, waarop ik beschaamd mijn ogen neersla.

De fietsenzaak heeft net zo’n zwart-grijs-wit bespikkelde granitovloer als onze bijkeuken. Ik zie blinkende fietsen in rijen staan. Een muur, behangen met schel fonkelende bellen, bagagedragers, lampjes, wielen… lichtopslorpende, zwarte cirkels van fietsenbanden.

De fietsenmaker is een ándere man, van mijn vaders leeftijd, maar hij spreekt een dialect dat bij ons thuis niet wordt gesproken en hij is losser in zijn doen. Ik ben zo bang…zonder houvast sta ik daar, in dat felle, trillende tl-licht, tegenover hem.

Ik durf er niet te zijn maar ik moét er zijn. Ik duizel, ik zweet, ik ben zo intens bang, maar alles is er nu op gericht dit niet te laten blijken…

Nachts word ik wakker en verlaat mijn bed… Ik loop de trap af, ervoor zorgend dat deze zo min mogelijk kraakt. Ik open de kamerdeur. Daar ligt de zee, zoals zij was achtergelaten, badend in het schuin binnenvallend, slaapwandelend maanlicht.

Soms knispert iets in die inmiddels half gedroogde binnenzee van krullende golven, en ik tuur met mijn ogen secuur het oppervlak af, maar ik zie niets bewegen. Of…daar!…..nee…nee, dat zal verbeelding zijn geweest.

Ik heb voortdurend angst dat mijn moeder kwaad de trap af komt dribbelen met de korte, kittige pasjes die het huis altijd doen schudden, maar het gebeurt niet.

Ik grijp voorwerpen vast, zoals het paletmes dat mijn vader vasthield, zeggend tegen mezelf: ‘dít was het paletmes…’

De maan werpt mijn schaduw over de golven terwijl ik blootvoets over zee loop.

***

Daar zijn zijn ogen weer, daar beneden… Ze kijken me aan… Ze steken júist boven het wateroppervlak uit… twee grote bruine knikkers. Het grote lijf blijft verborgen onder het troebel wateroppervlak waarop vieze, bruinige schuimvlokken drijven, lollystokjes, verweekte slablaadjes,

De ogen dalen langzaam, rustig weer onder het oppervlak, zonder een rimpeling in het water achter te laten…

Het nijlpaard en mijn vader…zij delen een geheim. Maar welk?…Dezelfde ogen die inkijk weren. Niet te lang aankijken, dat is gevaarlijk…

Neef Rob staat naast mij en samen kijken we gefascineerd in de diepte van het lager gelegen waterbassin in Diergaarde Blijdorp. Het is altijd leuk met Robbie en oom Henk is mijn lievelingsoom.

Het nijlpaard komt weer met zijn kop boven water en klapt een geweldig grote muil open om voedsel te ontvangen. Een roze vleesgrot opent zich, met aan de benedenkant twee grote hoektanden, Er is geen inkijk in het donkere gat achterin zijn keel, dat naar zijn verborgen ingewanden voert. Daar zit, in een opkomende fantasie, Lambiek in een gemakkelijke stoel bij een staande schemerlamp zijn krantje te lezen, terwijl ik in de gedaante van Suske naar binnen glijdt..

Het nijlpaard opent en sluit zijn muil, opent weer, sluit…het spel van twee grote castagnetten, langzaam, zonder geluid….

Rob en ik willen hem voederen. Tante Rie verstrekt ons daartoe, alvast mee grinnikend om wat gaat komen, tomaten, die we nu met volle kracht mikken in de dikke Hypo zijn gigantische voorportaal. Het nijlpaard klapt zijn kaken dicht om te slikken, maar als hij ze weer opent liggen de tomaten er nog stééds…

Het zijn voor hem slechts etensrestjes, denk ik bij mezelf, hij merkt ze niet eens op.

Ik werp de tomaten nu zo hard mogelijk in zijn muil, zo uitdagend als ik me bij mijn vader niet zou durven permitteren. Hij staat achter mij, ik hoor zijn stem die op uitgelaten wijze grappen maakt tegen tante Marie en oom Henk, en ik zie de verlegen bruine ogen die daar bij horen vóór me. En ik zie ze in het hoofd van het nijlpaard.

Mijn moeder probeert als gewoonlijk de uitbundigheid waarin zij niet kan meekomen te temperen, maar soms, zich bangelijk op het onbekende terrein der ongedwongenheid wagend, doet ze ook een duit in het zakje. Ze voelt zich buitengesloten.

Nu kijkt het nijlpaard mij aan.. Ik heb daarnet weer kwaadaardig, uit volle kracht een tomaat, niet in zijn bek, maar tegen zijn neus gegooid, en ik meen nu deze gedachte te lezen achter zijn zwarte ogen: ´Ik zal dit onthouden…´

Dit zal hij in zijn geheugen prenten, en ooit…op een dag…wacht maar….

Hij verdwijnt onder water. Wat beroering in het oppervlak blijft even achter, verdwijnt dan. Na een tijdje verschijnen zijn bruine ogen weer langzaam boven het wateropppervlak, ge van twee wijd geopende neusgaten met stekelige haartjes rond de lichte, bruin-rose binnenranden.

We moeten met onze ouders mee verder naar de volgende dieren-attractie.

Als we weg lopen, kijk ik nog even om en zie als enige heel even het zwaarlijvige nijlpaard boos en gekwetst achter mij aan rennen, in slow motion, met die haast transparante lichtheid die zinsbegoochelingen wel eigen zullen zijn.

Woensdagmiddags kijk ik in het huis van Paul Simons naar de Thunderbirds. (Heden ten dage zie ik wel eens mensen bewegen als in de thunderbirds, maar dan zonder dat je de touwtjes ziet)

Paul S. stelt zich graag voor de piloot van thunderbird 1 te zijn, maar ik vind Thunderbird 2 mooi van vorm, puur en alleen dat: van vorm. Paul raakt geënerveerd van triomfantelijke poeha-muziek, ik vind de muziek belachelijk.

De broers Tracy hebben mannelijke, vierkante kaken en Carry Grant-kuiltjes in de kin. Maar ik vind de blauwogige, blonde het leukst, het aantrekkelijkst. Het verwart me, ik moet het geheim houden, nog Paul of iemand anders mag het weten. Ik stap ermee uit hoe het hoort, het idee van mannelijkheid.

Ik ben bang voor de donkere, bruine ogen van the Hood, onder die zware zwarte wenkbrauwen. Ik zie mijn vader voor me. Hij zal misschien al in thuis zijn, het is half zes. Straks zal ik de ogen die nu op tv zijn, thuis wéér zien. Maar mijn vader is toch geen slechterik, zoals the Hood?

Je lepelt soep terwijl je linkerhand vlak en ontspannen op tafel ligt, zo wordt mijn moeder niet moe te manen en mijn vader kan in woede uitbarsten als ik niet luister. Zijn eigen linkerhand ligt samengebald tot een vuist naast zijn bord. Rond de knokkels trekt het bloed weg waardoor ze dezelfde wit-gele kleur krijgen als het been aan de uiteinden van de gebraden kippenpootjes op de schaal.

Er wordt niet gepraat.

Ik durf amper mijn soep te lepelen want ik ben bang dat mijn handen zullen gaan trillen en dat ze het zullen zien. Ik zet mijn voeten onder tafel stevig op de grond, ik merk dat dat enigszins helpt en met gebogen hoofd breng ik de lepel naar mijn mond.

Vlees eet je met mes en vork maar wild en gevogelte mag je kluiven,’ leer ik van mijn moeder en mijn vader geeft onwennig het voorbeeld.

Die spanning in mijn vader’s vuist… Af en toe kijk ik er even naar.

Na afloop van de maaltijd schuiven we van tafel en even komen mijn vader en ik tegenover elkaar te staan. Ik klem mijn middenrif af zodat ik mijn onderlichaam niet voel. Als ik dat niet zou doen, als ik vanuit mijn buik zou leven zou hij woedend worden omdat hij zich bedreigd voelt

Op een dag hoor ik in de achterkamer mijn moeder in de keuken tegen mijn vader zeggen: ‘Neem die jongen nou toch eens mee naar voetbal.’

En zo geschiedt het dat op een zondag mijn vader me uitnodigt mee te gaan naar Fortuna ’54 en ik met gespeelde verrassing instem.

We staan tussen schreeuwende mannen op de tribune, Geleens dialect alom. Mijn vader in zijn keurige kostuum met zijn beheerste manieren valt wat uit de toon. Gelukkig. Er wordt geschreeuwd en bier gehesen. Als ik na de wedstrijd naar de wc moet komt ik in een hok vol pis en poep en braaksel.

Na afloop lopen we zwijgend huiswaarts.

Die voetbalcultuur is niets voor mij en niets voor hem.

‘Die jongen kan ook helemaal NIETS!!!’

Ik heb het drie maal gehoord uit de briesende mond van de man met wie ik omzichtig omga om niet zijn minderwaardigheidscomplex bloot te leggen. Hij schreeuwt het vol verwijt tegen mijn moeder met een, niet wijzend maar wegwerpend gebaar in mijn richting.

We zijn met de auto gestopt bij het benzinestation. Mijn vader nodigt me voor de eerste maal uit de handelingen te verrichten die ik bij hem heb kunnen afkijken. Terwijl ik het vulpistool in de tank-opening steek en mijn wijsvinger de toevoer regelt houd ik angstvallig de rollende cijfertjes in de gaten. Wanneer die de som van tien gulden aanwijzen laat ik de trekker los en haal het pistool uit de tank. Maar de stroom van benzine blijkt nog niet gestopt en ik mors benzine op de auto.

Hij valt zó woedend tegen me uit dat mijn lichaam schokt van angst, als bij David Bowie in Merry Christmas mr Laurence. Mijn moeder neemt me vlug in bescherming maar met een woedende zwaai van zijn arm kapt hij haar interventie af. Moeder begint te huilen. Mijn vader negeert het en zwijgt. We stappen zwijgend in de auto en vader rijdt weg. Stilte van lange kilometers. De achterbank van de auto is mijn plek waar mijn ogen de zijne in de achteruitkijkspiegel angstig ontwijken.

(Ik heb dat moment van schrik me nog vaak voor de geest gehaald. Hoe mijn trillend hoofd zich tussen mijn schouders verschool, mijn lichaam verstrakte. In mijn neiging tot acteren, heb ik mijn reactie later in mijn leven wel eens nagespeeld bij gelegenheden waarin ik ‘schrik’ wilde uitbeelden)

……………………………………………………………………………………………………………….

Imagine 1972

you can comb your hair and look quite cute

you can hide your face behind a smile

one thing you can’t hide, is when you’re crippled inside

Crippled inside…dat ben ik…dat gaat over mij…en het beangstigt me zo dat ik er even van duizel. Ik heb John Lennon’s Imagine gekocht en het vult de huiskamer. Ik zit naast mijn vader aan tafel, en hij leest een paginagroot artikel over het album in ‘De Tijd.’ Hij verdiept zich in mijn muziek. Hij wil me beter leren kennen

…………………………………………………………………………………………………………………

Ik zal een jaar of 18 zijn als ik, juist uit bad gestapt, mij met de handdoek sta af te drogen. De badkamerdeur wordt geopend. Mijn vader en moeder staan nadrukkelijk vriendelijk lachend op de overloop. Mijn moeder zegt: je bent zó mooi gebouwd, dat papa jalours is op jouw lichaam. En mijn vader knikt beamend, met groot open staande, donkere, verlegen ogen. Ik ben verbaasd door deze gebeurtenis.

Mijn lichaam? Ik vind het wat potsierlijk allemaal.

Van zus G., die nu en dan vanuit het buitenland enkele dagen komt logeren krijg ik ook steeds te horen: heb je nog steeds zo’n mooi lichaam? Later, wanneer ik verouder gaat ze die woorden tot neef R. richten.

Een keer eerder hebben mijn vader en moeder daar, op dezelfde plek gestaan. Op de drempel van badkamer en overloop stonden zij voor de gelegenheid verbroederd tegenover mij en begonnen over het verhaal van de Verloren Zoon. Dat verhaal dat ik van bijbellessen kende. Dat de verloren zoon altijd zou mogen terug te keren. Ik begreep niet waarom ze daarover begonnen. Ik was nooit van plan geweest weg te lopen. Maar het ontroerde me enigszins.

Ik bereik de ‘volwassen’ leeftijd van achttien wanneer mijn vader, klokslag 12 uur, uit zijn fauteuil oprijst en mij, de zoon die amper vrienden heeft, nooit zijn verjaardag viert, vreemd is, met ‘collegiale’ handdruk een boek met persoonlijke inscriptie overhandigt. Het is het boek van de tv-serie ‘The Onedin Line’ waar ik met mijn ouders graag naar kijk, niet in de laatste plaats vanwege de verschijning van de blonde Elizabeth. Vermoedelijk kijkt mijn Rotterdamse vader graag vanwege het decor der zeevaart.

Zijn hand. Mijn half zwevende voeten…

Die handdruk is zo’n alleen lating. Ik had zo graag gewild bloed door zijn bloedvaten te voelen stromen, doorstromen in de mijne. …Ik sta hier in die door mijn moeder aangemeten brave jongenstrui en zij kijkt toe en zegt tegen mijn vader: ‘omhels die jongen nou eens.’ Hij werpt een geïrriteerde blik op haar en vervolgt zijn plechtstatige keuze van handelen

De opdracht… Er staat in mijn vaders beheerste hts-handschrift -ik voel hij haast hoe zijn adem erbij heeft ingehouden- met de tegennatuurlijke, wat gewichtigdoenerige lus aan j en g, geschreven: Aan Erik op z’n 18e jaar op 1 Juni 1973 te 0’05 uur. En zijn paragraaf: Rgr.

Zijn paragraaf…Ik ken mijn vader. Ik weet al zo lang dat hij zo is, dat hij niet anders kan. Maar ik voel me zo alleen gelaten, als de keer dat hij ooit tegen me zei: ‘Je moet het allemaal helemaal alleen doen, mijn jongen, dat heeft je vader ook moeten doen.’ Wat ik dan nog niet besef is dat hij zonder eigen vader is opgegroeid, daardoor extra gemotiveerd is zijn kinderen te geven wat hij zelf heeft gemist, maar helemaal geen voorbeeld heeft van hoe dat gaat of moet. Hij leert me, paradoxaal genoeg, nu hoe te kunnen leven zonder vader, terwijl hij toch echt in den levenden vleze voor me staat. In een stug kostuum. Hij voelt zich machteloos, want hij weet niet hoe dat gaat: vader zijn. Zo vaak heb ik hem in zijn stoel zien zitten terwijl hij zijn hand naar mijn zussen uitstak, niet als steun maar als vraag om steun.

Ik woon drie jaar in een kamer aan de Schouwburgwal 184 in Tilburg waar ik de Bibliotheek- en DocumentatieAkademie doe. Daarna ga ik werken als bibliografisch medewerker bij het Bureau voor de bibliografie van de Neerlandistiek in de Haagse Koninklijke Bibliotheek op het Lange Voorhout, en beland in psychiatrisch Centrum Rosenburg waar ik een eenjarige gedragstherapie onderga zonder enig voor mij voelbaar of voor anderen zichtbaar resultaat behalve voor de de hulpverleners die graag resultaat van hun werk wíllen zien. Ik verhuis mijn inboedeltje van de kamer bij mijn zus in Delft naar de Bankastraat, daarna naar de Gallileistraat en ga etsen maken op de Vrije Akademie.

Ik ben 24 jaar oud als ik word wakker geschud. Ik open de ogen en kijk in het vriendelijk gezicht van een onbekende vrouw. Verbaasd til ik mijn hoofd op om de omgeving waar te nemen.

-‘Waar ben ik?’ Vraag ik.

Maar dan opeens herinner ik het me. Ik heb voor de tweede maal een zelfmoordpoging ondernomen. Geen heuse maar een aandachttrekkerige. Mijn hoofd zakt moedeloos terug in het kussen. Het gezicht schenkt me een lieve glimlach en gaat weg (dat lieve gezicht haal ik tot op de dag van vandaag nog wel eens voor de geest).

Waar ben ik… Wat een cliché-zin uit een film, denk ik. Toch dacht ik niet na toen ik het zei, wat zeldzaam is, besef ik, in de onophoudelijke dwang tot zelfbeschouwing die als een uittreding van mijzelf, springend en sarrend als een ik-nar, dagelijks met mij optrekt.

Het opvangcentrum waarin ik ben opgenomen ligt aan de Laan van Meerdervoort. Ik breng er de dagen hoofdzakelijk door met pingpongen en op een voorgedrukt formulier opschrijven wat me dwars zit, maar dat laatste levert weinig op.

Eén maal wordt ik uitgenodigd voor een gesprek met een hupverlener. Hij probeert me ervan te overtuigen dat ik homo ben.

-‘Ben je zélf homo?’ vraag ik hem.

Hij zwijgt even terwijl hij me gepikeerd aankijkt. Dan schudt hij, nog steeds zwijgend, en demonstratief langzaam, het hoofd.

Coby zit tijdens de broodmaaltijd tegen over me en drukt onder tafel haar voet in mijn kruis terwijl ze me over de broodmand en het pak chocoladevlokken heen hitsige blikken toewerpt en met gekrulde tong haar bovenlip likt.

De vrouw met het plat Rotterdamse accent die nooit aan de gezamenlijke maaltijd verschijnt steekt vanuit de gang haar hoofd om de hoek en roept kwaadaardig dat ze heeft gemenstrueerd in de wc-pot en dat wij ‘motte komme kaaike.’

Kees’ mislukte zelfmoordpoging vloeide voort uit grote financiële problemen. Hij is een aardige, zachtmoedige man. In de middag valt hij in zijn stoel in slaap. Ik pak potlood en papier en teken een portret van hem dat verrassend goed uitvalt.

Als hij wakker is geworden toon ik hem het resultaat. Hij spreekt bewondering uit, maar is niet blij dat zijn ogen gesloten zijn. Of ik ze niet wil geopend wil tekenen. Even voel ik me Jezus. Maar ik wil er niets meer aan veranderen, bang dat ik de tekening zal verpesten. Als hij blijft aandringen schrijf ik er maar onder: ‘Hij sliep niet maar dacht zeer diep.’

(Ik moet denken aan die keer dat mijn schoolvriend Rob M. en ik bij ons thuis mijn vader portretteerde, terwijl deze dat niet wist of deed alsof hij het niet wist. Ik nam hem toen langdurig waar, en profile, en dat voelde als een ongehoorde inbreuk op zijn integriteit. Ik kwam immers min of meer áán hem)

Tijdens de tweede overnachting in het centrum word ik warrig wakker. Het neonlicht in onze tweepersoonskamer brandt. In de deurpost zie ik een oude, grijze man in pyama staan. Waterige, blauwe ogen. Lege ogen waaruit amper bewustzijn doorschemert.

Ik word bevangen door angst. Is dit echt? Droom ik?

Ik trek de lakens over mijn hoofd en wacht met bonzend hart af…

Wat zal gaan gebeuren?! Ik hoor niets. Het duurt lang… Waar zou de verschijning zich nu bevinden?

Dan voel ik hoe een trillende vinger mijn voorhoofd raakt en zich achter het opgetrokken laken haakt om het naar beneden te trekken. Ik lig stokstijf stil. Maar de vinger trekt zich terug…

Ik mijn kamergenoot een luidkeels Godverdomme! uitstoten. Meteen zit ik rechtop in bed. In de kamer staat een der hulpverleners met grote, gebiedende ogen, en een gestrekte arm,de man, die zich tussen mij en mijn buurmans bed bevindt, de deuropening naar de gang te wijzen. De oude man sloft gehoorzaam, met gebogen hoofd terug. Ik word overvallen door medelijden.

Pas veel later zal ik begrijpen dat ik het vroegere slaapkamerbezoek van mijn vader herbeleefde.

Mijn broer en zijn vrouw bezoeken me. Het maakt me blij. De dag daarop word ik bezocht door mijn vader en moeder. We drinken koffie in de drukke Zoutmanstraat, waar de trams dicht langs de ramen van de zaak voorbij komen. ‘Hè, wat is het toch heerlijk om weer eens in een echte stad te zijn,´ zegt mijn vader, en ik geniet van hem. Hij gedraagt zich vrijelijk in weerwil van mijn moeders gebruikelijke berispingen en aanmaning tot ingetogenheid, passend bij de aftermath van mijn aandacht vragende ‘zelfmoordpoging.’ Mijn vader begint in deze tijd zijn ironische ´Gek hè?’ te gebruiken als stopwoordje wanneer zijn vrouw weer eens afkeurend reageert op zijn wat jongensachtige gedrag. Mijn gedrag zal ik dus van hém geërfd hebben.

Wat weken later later zit ik met mijn vader op de vloer van de kamer van het ouderlijk huis. Hij heeft daartoe het zelf initiatief genomen, om op zo informeel mogelijke wijze contact met me te leggen.

-‘O, ik kan je niet vertellen hoe erg ik het vind,’ zegt hij.

Dan drukt hij op de startknop van zijn tuner-casetterecorder. ´Roger Whitakker zingt ´The last farewell.´

Hij wil zich laten kennen. Hij wil zijn levensgevoel, uitgedrukt in dit lied aan mij kenbaar maken, vriend van me worden in plaats van vader, zoals hij dat later in een brief zal laten weten. ‘There’s a ship arriving at the harbour…’ Ik heb zelf van Whitakker gehouden, me laten varen op zijn melancholisch geluid, maar hem uit mijn leefwereld weggedaan. Geen Rock & Roll. Nu is die candlelight-melancholie er weer. Ik luister gedienstig met mijn vader mee.

Dagen later vraagt zus M. hoe het was gegaan. Ik zeg: ik moest er weer meer voor hem zijn dan dat hij er voor mij was. Ze knikt. ‘Ja, dat hoorde ik ook van mama,’ zegt ze.

Maar het zal me evengoed dankbaar bijblijven als een streling, een aanraking die hij niet kon geven.

Soms zie ik hem onwillekeurig terug in een gedaante op film of tv.

Als inspector McCloud, als hij, zo ben ik gaan merken, voor vrouwen op zijn aantrekkelijkst is: met een verlegen glimlach en brandende, uitdagende pretogen waarin dat vuur waarvan ik niet weet waaruit het gestookt word. Dat McCloud-vergelijking is afkomstig van een vrouw met twee dochters die met haar man in een sjiek wit huis woont, in de Kummenaedestraat, waar deze het laagste punt heeft, tegenover de ijsbaan. Hij vind het een aantrekkelijke vrouw, dat merk ik wel. Een maal onmoeten hij en ik haar op straat. Mijn pa is zó nerveus dat ze hem deerniswekkend vind.

Op mijn 35ste levensjaar, op een avond dat ik onderweg ben naar mijn etage op het door het donker water omgeven Noordereiland stop ik op de Willemsbrug om over de railing geleund te turen naar de stromende maas met een in de golven versplinterde, spiegelende maan. Een jongen met een meisje op zijn bagagedrager komt de brug op fietsen en naar verwachting roept hij doodleuk: ‘Niet springen, hoor!’

Ik was niet van plan te springen, maar laat ik toch maar yoga gaan doen, denk ik bij mezelf. De folders liggen thuis.

Enkele dagen later fiets ik met sportkleding onder de snelbinders de brug over richting centrum.

Bij Charles H. kom ik voor het eerst van mijn leven op hoofd en handen te staan. Ik rek en trek mijn spieren tot diepe ontspanning en rustige ademhaling mij deelachtig wordt, Maar die keiharde rotsen in mijn liezen, die liezen die ik altijd zo bijeen heb geknepen, daar durf ik niet aan te beginnen. Dat besef ik opeens. Wat zou er gebeuren als ik me daar laat gaan? Waar ben ik bang voor? Ik zou in een kort bevrijdend lachen uitbarsten om daarna door te schieten in een blijvende psychose. Zó iets. Levensgevaarlijk! Die spanning daar met rust laten!

Aan het eind van elke les liggen we ontspannen en met gesloten ogen in het donker op onze matjes, ieder op zijn eigen, langgerekt, rechthoekige eilandje. De ventilatie zoemt zachtjes. Je weet niet waar Charles, die de gewoonte heeft met bedaarde tred tussen ons door de ruimte te bewandelen, zich bevindt. Soms kan je hem min of meer lokaliseren aan de hand van zijn stem, die kalm door de ruimte resoneert. Als hij zegt: ‘ontspan je tong, niet je tong tegen je verhemelte drukken, laat los’, dan laat ik mijn inderdaad …….te tong los.

Soms, als je opeens voelt hoe iets zachts en zwaars op je ogen wordt neergelegd, weet je dat hij bij je is.

En tijdens zo’n les-afsluiting komt, alsof ik opeens weer in mijn kinderbed lig, de bedreigende, donkere verschijning van mijn vader over mij heen buigen. Ik ben verwonderd. Hoe komt hij hier? Wat gebeurt er in dit hoofd van mij?

Aan het eind van de volgende les verschijnt hij wéér. En de vólgende keer wéér.

Elke volgende keer komt hij onwillekeurig tevoorschijn, tot ik hem ga verwachten, en dán laat hij verstek gaan. Mijn actieve verwachting heeft het onderbewustzijn speelruimte ontnomen.

Maar een volgende keer, juist als ik hem weer ben vergeten, is hij er weer…

Wonderlijk. Ik had hem nooit verwacht hier, in deze ruimte, aan te treffen, hoewel dit zijn geboortestad is. Dáár, aan de overkant van de dijk en het water, op het dat eiland waar hij mij en mijn moeder vaak in de auto langs reed, onderweg naar tante Rie en oom Henk en neef Rob, waarop ik een keer opmerkte dat het er zo gezellig uitzag met al die lichtjes op de oude panden en hij antwoordde: ‘nou, maar als je er bent zal je zien dat het een gribus is,’ daar op dat eiland waar ik kwam te wonen, zat hij op het puntje over zeetochten fantaserend stroomafwaarts te turen/. En nu komt hij hier, als thuis, vroeger, geruisloos naderbij en buigt zich over mijn bed…

Op een dag belt mijn moeder mij op. Het gaat over hem.

‘Hij doet zo raar,’ zegt ze. ‘Hij is de kluts kwijt, helemaal de kluts kwijt. Hij doet zo raar…Kan je niet komen?

Ik reis af naar Geleen.

Als, bij het ouderlijke huis aangekomen, de deur wordt open gedaan door mijn moeder, zie ik mijn vader achterin de gang staan. Hij kijkt naar me als naar een vreemde. Zijn bruine ogen lijken te kijken vanuit een donkere oertijd.

Ik schud hem de hand. Mijn vriendelijkheid wordt na eerste verbazing beantwoord met eendere vriendelijkheid. Er is even een openheid en vertrouwen in zijn ogen dat ik nooit eerder heb gezien. Het duurt maar kort, meteen erna wordt hij zeer achterdochtig.

Eigenlijk heb ik hem lang geleden, bij korte momenten van enkele seconden, al zo gezien… In die tijd hervond hij dan weer snel zijn ‘apropos,’ zoals hij het zelf altijd noemde, en beantwoorde mijn observatie, waarin hij zich betrapt voelde, met een flitsende, boze oogopslag.

Wilskracht. IJzeren wilskracht. Koppig doorzettingsvermogen. Een man die zich in de verantwoordelijkheden voor zijn gezin had vastgebeten als een terriër.

Nu lijkt hij de strijd definitief te hebben verloren.

Ik bel mijn broer op en verzoek hem meteen te komen.

Het komt hem heel ongelegen uit. Hij wil liever niet.

‘O Ron, kom alsjeblieft!’

Het komt zo recht uit het hart dat ik die eenvoudige zin nadien nooit zal vergeten. Het gebeurt niet zo vaak dat ik me laat gaan.

‘Nou goed… maar dan moet het wel heel erg zijn, hè?!’

‘Dat ís het ook!’ roep ik. ‘Dat ís het ook!’

Hij belooft morgen te komen.

Mijn moeder en ik omgeven mijn vaders vreemde aanwezigheid met verborgen oplettendheid.

Vanuit zijn fauteuil kijkt hij naar de televisie, zonder het programma te volgen, dat lees ik af aan zijn onrustige ogen die niet weten wat met ons, vreemden in dezelfde kamer aan te moeten.

Het is de fauteuil die ik, lang geleden, toen hij nét nieuw was, kapot maakte door voorop de rand te gaan zitten, ondanks de aan mij doorgegeven waarschuwing van de verkoper dit niet te doen. Zijn ogen hadden gebrand van kwaadheid. Ik stond enkele meters van hem verwijderd in de erker en had de mijne beschaamd neergeslagen.

In de dagen erop volgend zou hij eigenhandig de stoel repareren door een strook metaal op maat te zagen, in vorm te buigen en er de geknakte poot mee te spalken.

Geregeld zit hij ons verbaasd op te nemen. Dan lach ik hem vriendelijk toe. Hij lacht aarzelend terug, heel even, dan worden zijn ogen weer donker van wantrouwen en keren terug naar het televisiescherm.

Links van hem, op het blad van de boekenkast, naast het extra televisie-microfoontje dat hij zich ooit aanschafte omdat zijn vrouw altijd door de programma’s heen praatte, staat de telefoon. Hij neemt de hoorn op om te vernemen of er een stem hoorbaar is in het lege, kosmisch geruis dat dan in zijn oorschelp moet rondtollen. Na enige aarzeling, waarin hij overweegt de zwijger aan de overzijde op te roepen zich kenbaar te maken, legt hij langzaam de hoorn weer neer. Meteen daarna neemt hij hem weer op en hetzelfde tafereel herhaalt zich. Dat gaat maar zo door…

‘Hij is bang dat de visite nu zal wegblijven,’ zegt mijn moeder. Zo praatte ze ook vaak over mij: alsof ik er niet bij was.

Ik geef maar geen antwoord. En denk: misschien ook, vanuit zijn koppig ingeprent verantwoordelijkheidsgevoel, maakt hij zich zorgen om háár, bang dat door zijn geestelijk onvermogen de kennissen haar nu niet meer zullen bezoeken. Zij, voor wie hij al lang geen liefde meer voelt maar die hij wel nog een belofte van vroeger trouw is, die van dat plechtige moment van het jawoord, ten overstaan van God uitgesproken, lang lang geleden. Maar…, overweeg ik, dat kan niet… hij kent haar nu immers niet. Of…? Hoe werkt dat in die hersenen?

Nu en dan lijkt hij heel even wat tot zichzelf te komen, dat merk je aan de kwaadheid op het in hemzelf geconstateerd, beschamend onvermogen, hoe hij poogt het te verbergen. Eigenlijk begonnen die korte momenten van weg vallend bewustzijn al heel, heel lang geleden. Maar toen waren het slechts korte momenten, waarna hij heel boos kon kijken, zich betrapt voelend in zijn kwetsbare staat.

Hij staat op en loopt naar de tafel van de achterkamer. Om de samenhang van zijn denken te testen gaat hij met een balpen zinnen in de marge van ‘De Nieuwe Limburger’ schrijven. Zinnen die hij daarna overleest en hoofdschuddend afkeurt. Maar daarbij ontbloot hij niet langer, zoals hij altijd deed, zijn op elkaar gebeten tanden. ‘Als het niet kan zoals het moét, dan moet het maar zoals het kán,’ zei hij vaak, wanneer een klus niet verliep zoals hij wilde. Maar hij staat nu machteloos. Hij ziet woorden die onbegrijpelijke zinnen vormen, zinnen die niet in deze samenstelling gereed lagen in de uitgaande expeditie-ruimte van zijn hoofd. Hem is overkomen wat hij ooit zijn chef op de DSM heeft zien overkomen, toen hij liet weten: ‘Als het ooit met míj zo ver komt, geef me dan maar een spuitje.’

Op tafel ligt de reclamefolder van David Leavitt’s roman De verloren taal der kranen.’ Hij gaat ook dáárop schrijvend zijn taal uitproberen. De ironie…

En al dit vreemde, ongewenste, nooit van mijn leven als mogelijke toekomst beschouwde, speelt zich af in deze een leven lang zo vertrouwd gebleven huiskamer waar, op dat vertrouwde, roodbruine, perzisch tafeltapijtje, vanaf mijn kindertijd, de kristallen asbak staat, en de mahoniehouten fruitmand, en in de hoek staat het theetafeltje met het Engels porcelijn met de roosjes, en achter hem het dressoir met de witte, keramische fruitmand, waarin mijn moeder, om mijn vader de schuld te geven van mijn problematiek, een keer achteloos een uitgeknipt krantenartikel had gelegd met de kop ‘Gesloten vaders maken bange zoons.’ Alles wat zo vertrouwd erbij stond, onder het dictaat van de onaangedaan voort tikkende pendule op de schoorsteenmantel, alsof het altijd zo zou blijven, het lijkt uit stille discretie de ogen neer te slaan. Een brute, ongeletterde indringer in dit huis, dat hij ter bescherming van zijn gezin betrok en bewaakte, heeft bezit van hem genomen en is niet te bevechten.

Godverdomme, godverdomme! denk ik.

De jeneverfles die altijd met mate en beheersing werd aangesproken weet evenmin wat hem overkomt. Hij wordt vastgegrepen door mijn vaders hand. Hij schroeft de dop eraf en zet hem aan zijn mond. Hij drinkt alsof het water is. Mijn moeder en ik grijpen snel in, nemen hem de fles af, wat hem natuurlijk kwaad maakt. Maar mijn sussende hand, voor het eerst van mijn leven rustend op zijn schouders, kalmeert hem.

We krijgen hem zo ver dat hij weer in zijn stoel gaat zitten.

Even later staat hij op en loopt de kamer uit, naar de keuken. Na enkele seconden volg ik hem, mij voordoend alsof ik daar toevallig ook wat te zoeken heb. Ik tref hem aan, plassend in de vuilnisbak.

Hij gaat weer de kamer in, schrijven, oefenen, zoeken…

Als het bedtijd is krijgt mijn moeder hem zover mee te gaan naar de bovenverdieping.

Hij is nu in de slaapkamer, waar hij als altijd zijn bleke lichaam achter de deur uit zicht houdt, om zich uit te kleden, zijn pyama aan te doen. Op de overloop overleg ik nog even met mijn moeder. Ik houd mijn tranen niet binnen. ‘Ik hou zo van hem,’ zeg ik. Voor het eerst zeg ik dat.. Meteen zie ik aan mijn moeder dat ze zicht tekort voelt gedaan en ik kom haar tegemoet door te zeggen ‘en ook van u.’

Maar dat heb ik geforceerd gezegd. Mijn moeder begint nu over wat ze blijkbaar altijd voor zich heeft gehouden. Dat alle aandacht altijd naar hém uitging, dat, als er ter gelegenheid van jubilea of kerstmis cadeau’s door de kinderen werden gegeven die eigenlijk altijd voor hém bestemd waren, áltijd…

De volgende dag hoor ik van mijn moeder dat hij gedurende de hele nacht het bed is uitgegaan en door het huis heeft rond gespookt.

Ik vind een schrijfsel van hem op tafel. Ik lees:

Papa heeft maar één probleem behouden dat niets heeft te maken met de auto ongeval. Misschien is het wel zo dat welliswaar niet meer kan autorijden en dus zich wel zal kunnen verplaatsen doch zich toch altijd nog en misschien wel sterker zich altijd nu en in de toekomst altijd zal blijven schuldig gevoelen voor dingen die in het verleden over dingen in geweten die daarin steeds zijn onderdrukt.

De vrees voor het bekentmaken hiervan heeft hem steeds bezig gehouden en doet nu z’n denken daaraan z’n geestvermogens tijdelijk in verwarring brengen dat hij het idee-fix heeft gekregen hiervan.

Het werkelijk probleem dat papa heeft is dat hij steeds wil blijven weten hoe het heeft kunnen ontstaan terwijl dat het probleem niet is en eigenlijk een ander probleem zoekt om het goed te maken wat niet goed te maken is.

Ooit heeft hij in Irene’s dagboek een boodschap aan ons geschreven, ik weet niet meer elke die behelsde.

Bij vlagen is hij weer ‘bij positieven.’ (Hij gebruikt die uitdrukking zelf vaak) Dan herkent hij ons, spreekt en handelt normaal…Nee, niet ‘normaal’…Want hij is opener dan ik hem ooit heb gezien. Die lieve man, over wie mijn broer zo terecht een keer opmerkte: ‘hij is zelfs nog nooit naar de hoeren geweest,’ hij is er opeens, in het licht, de jongen.

Op de grond zit hij, geleund tegen het fauteuil en hij laat zijn hart spreken. Alle mensen die hem lief zijn laat hij de revue passeren. Ook ik kom aan de beurt. Het is een regelrechte liefdesverklaring, dat gevoel dat hij nooit uitte maar, in zus G. haar woorden, altijd via zijn poriën naar buiten brak. Terwijl hij me zo onbevangen aankijkt en aanspreekt zit mijn moeder, die zich altijd tot taak heeft gesteld onze vader zijn afstandelijkheid te compenseren, voortdurend storend haar wijsvinger in mij te priemen, manende: ‘Dit moet je goed onthouden, dit moet je goed onthouden! Ik negeer haar bedoelingen en zoek wat intenser oogcontact met mijn vader; we wisselen een verstandhouding uit die mijn moeders goede bedoelingen buitensluit, al begrijp ik haar óók, maar…

Aan het eind van een hele rij hem dierbare mensen zie ik zijn ogen, terwijl ze een weerstand, zelfs een antipathie overwinnen, naar zijn vrouw gaan. Maar hij keert in gedachten terug naar een tijd waarin zijn liefhebbende woorden nog waarheid bezaten, waarin het aan zijn vrouw opgedragen lied ‘Du bist die Welt für mich’ de oren betovert, maar hoe groot was die Welt, was ie niet wat klein, denk ik bij mezelf, en heb ik het recht dat te denken?

Hij gaat naar de wc. Als hij zo terug komt, denk ik bij mezelf, zal het weg zijn, is hij weer verward. Door de verwisseling van omgeving.

Mijn verwachting komt uit. Hij is weer volledig geheugenloos, kent ons niet, alsof het zojuist voorgaande nooit plaats heeft gevonden.

De dokter is gebeld. Nu zit hij in de huiskamer, in de stoel naast de kachel. Hij hoort mijn moeders bedekt uitgedrukte, door haar waargenomen symptomen aan, observeert mijn vader, die verward door de kamer loopt op zoek naar verloren overwicht en controle. Het is niet meer zijn huiskamer. Westrik, met zijn doffe ogen en ongeïnteresseerde uitstraling, besluit hardop dat het het beste is dat mijn vader naar het ziekenhuis wordt gebracht. Mijn vader valt voor hem op de knieën, pakt zijn voeten vast, en smeekt: ‘Genade….genade…’

De steek door mijn hart is eindeloos diep. De dokter weet zich geen raad met de situatie. Verstijfd zit hij in de stoel en kijkt neer op mijn vader, zonder iets te zegen, zonder iets te doen, zonder enige impuls te volgen. Zijn onsympathieke rotkop, die mijn ouders altijd hebben vergoelijkt met ‘hij is verlegen,’ geeft geen krimp.

Mijn moeder zal later zeggen: ‘zielig he?’ Ikzelf, heb er geen woorden voor. Mijn vader, zo te hebben gezien, mijn papa…

In Star Wars verschijnt hij als Darth Vader. Ik fantaseer dat hij het is die voor zijn zoon uit liefde uiteindelijk zich ontmaskert, dat wasbleke gezicht durft te tonen, dat altijd onder een steen lag, dat voor het eerst zonlicht vangt, een levenslang verweer tegen enige streling laat varen – het is mijn vader op zijn kwetsbaarst. Bleek deeg bij Beumers als lullen. (in de achtertuin van bakkerij Beumers lagen vaak donkere, vierkante bakplaten bedekt met wat misschien nog te bakken worstenbroodjes waren, bleke lullen; die vielen mij natuurlijk op door het misbruik; zelf tekende ik gigantische lullen aan personen op plaatjes in mijn schoolboeken. er was een lange knul die naast mij zat bij aardrijkskunde, hij moest erom lachen. ik herinner me dat hij opemrkte dat als lullen kroim zijn ze om een hoekje kunnen spuiten)

Als de gemaskerde Salieri bonkt hij gebiedend op de kamerdeur van de bevreesde Mozart in ‘Amadeus.’

Hij buigt zich als de vogelverschrikker in ‘The singing detective’ over mijn bed. Zingt dit liedje: ‘You lose the best friend that you ever had.’

De jonge Philip zit hoog in een boom in een uitgestrekte bossage: ‘I’ll find out. I’ll find out’I’ll find out things. I’ll find out who done it.’ Hoe vaak kreeg ik vroeger van mijn moeder niet te horen ‘Eric zit altijd gelijk op de kast.’ Zie ik daarom mijzelf in hem?

Zou mijn vader ook Philip’s vader kunnen zijn, in de pub optredend als zanger en vogel-imitator? Nee, hij is absoluut niet zo vrij in zijn doen en laten, juist bang en nerveus. Hoewel hij wel uiterlijk wat van hem weg heeft: de mond, het kuiltje in de kin, de bruine ogen die echter nooit zo open en genereus staan als bij de man op het podium die geen podiumvrees kent. Mijn God, wat houd ik toch van hem, van die man waarvoor ik zo bang ben.

Zoals Lambiek zei: ‘pa, mijn vader.’ Mijn vader, die ik zo intens en innig heb lief gehad.

Koudwaterkraan over hoofdje laten gaan.

Co Westerik’s schilderij

In de yogastudio van Charles H. gaat er een wereld voor me open. Mét mijn lichaam ontspant zich mijn geest, mijn onderbewustzijn opent zich geleidelijk aan en flarden van gedachten en gevoelens lopen het bewustzijn binnen, als bij weed roken, maar nu nuchter en beheersbaar, échter, op eigen kracht. Voor zover mijn afweermechanisme het allemaal aan kan toe te laten…Mijn bewustzijn wordt vergroot en tegelijk wordt mijn ontspannend lichaam zo veel fitter en sterker dat ik het gewicht van dat toenemend bewustzijn kan dragen.

(Zo’n 35 jaar later lig ik naakt op bed in het peeskamertje van een jong negerinnetje en hoor ik het nog een keer: Ýou have a ladys’ ass.’ Ik protesteer zonder de indruk te willen wekken gekwetst te zijn. Dat ben ik ook eigenlijk nog amper. Ze zegt: ‘It’s beautiefull.’)

(Vele jaren later herbeleef ik dit tafereel: wanneer ik in, Tilburg, de kamer van mede-BDAT-student Tijsger.B. binnenstap, en hij in haast dezelfde, witte burgermanskatoenen onderbroek en houding als toendertijd mijn vader, hij achter de deur zich laat betrappen als een frustraat, eng-beluierde en gepamperde fakir met zijn mager, met sprinkhanen gevoed lijkend lichaam en zijn bleke catweazle-gelaat met de bleekblauwe ogen en het wat pedante sikje. The thin white duke… Of Catweazle, deze arme, allenige, in moderne tijden onmachtige televisie-tovenaar die mijn sympathie won, wellicht als voorschot op de nodige sympathie voor mijn latere, even eenkennige zelf dat ik zag aankomen. Hij springt in de sloot die in zijn weerspiegeling het verleden lijkt te representeren maar het water spuwt hem terug op de oever. Hij constateert verschrikt: ‘I have been rejected by time…!’

Ik zit aan tafel. Vader links. Om de ergernis die ik naar mijn vader en moeder voel, te verbergen, span ik mijn liezen, zodat mijn dijbenen zich sluiten. Ik knijp mijn anus dicht en mijn billen tegen mekaar. Ik krom de tenen in mijn sandalen, bedenk dat die open sandalen er zicht op geven, maar mijn voeten zijn nu toch onder de tafel.

‘Weet je wat je krijgt als je lord omdraait?’

‘……?’

‘Vuile vingers…’

We zitten aan tafel. Ik kan mijn vader niet te lang aankijken want dan wordt hij bang en daarna kwaad. Ik word nu bang voor mijn vader.

Hij is in Milaan geweest. Een zakenreis van de DSM. Hij komt thuis met lp’s van mooie, zwartharige, bruinogige zangeressen en mijn zussen gedragen zich er opgetogen om. Mijn moeder vindt het niet leuk.

Zus I. zal nadien vaak zeggen: toen gingen mijn ogen open. Omdat er zovceel gewichtigheid aan werd gegeven ‘terwijl het niets voorstelde.’

Ik had een wit huis annex garage van twee verdiepingen en een rood spits dak. Aan de nok een takelwiel. Het stond nog lang op zolder nadien. Waar de kleurkrijttekeningen van mijn zussen op de muur ook achterbleven.

Vrouwengilde. Mijn vrouw is een mooi boek maar ik heb het al uit. Mop met Simonis van de dienstkeuring blinde man en de verpleegster.

Weet je wat je krijgt als je lord omdraait? Drol? Nee, vuile vingers!

Jij neemt woorden in de mond die ik nog niet durf vastpakken

Papa’s weggetje. Met Marie jose. Rijjijofrijik. Ma: het gaat altijd via cryptohgrammen, hij kan niet anders (niet direct)

Zijn ogen in de achteruitkijkspiegel. De achterbank van de auto.

Sexboekjes: en ik heb ook nog wat anders gevonden!

Mama: foei vrouwen die het geslachtsdeel van de man in de mond nemen

De ongebakken deegrollen bij banketbakker Beumers.

Briefje van mama op fruitmand: afstandelijke vaders maken bange zoons.

Net als in Jos Vandeloo’s ‘Het huis der vreemden,’ waarin ik in de hoordpersoon mezelf zag, en nu mijn vader zag

Mijn vader en moeder praten niet meer met elkaar ze zeemt de ramen huilend

Aan ziekenhuisbed: Jij weet het!

1986 De scene in de slaapkamer bij Marian. Het heertje. Die lieve broer, het was zo’n fijne broer

Op werk:

-wat stinkt het hier!

– ja he? Toen net nog niet.

door hem heb ik een hartinfarct gekregen. maar ik vergeef het hem

honend gegniffel van mij

ma: dat was heel mooi van je vader

Ik durf hem van achteren langer te bekijken, want daar heeft hij dan geen weet van… de twee diepe plooien daar, als de grand canyon. gezien in national geopgraphic tijdschrift, die op de stapel lag op een trede van de zoldertrap.

Maagdenburger halve bollen. De vader die niet persoonlijk kon worden, trakteerde me op Pythagoras, blabla, en niet te vergeten de m halve maagdenburger bollen die zelfs door heel veel paarden niet uiteen getrokken kon worden.

Voor papa zorgen. Dat hij niet valt. Niet in figuurlijke zin (zijn onzekerheden, later zijn fouten, niet voor hem merkbaar zien) niet in letterlijke zin (als hij mij voor gaat op de smalle steile trap in de Sleephellingstraat, zodat ik hem opvang als hij achterover valt)

Aan de lunchtafel. Vader citeert wat hij zegt dat woorden van Napoleon Bonaparte waren: ‘Groter dan degeen die een heel leger overwint is degene die zichzelf overwint.’ Het is een vermaning en aanmoediging in één. Meteen verwoordt moeder hardop mijn gedachte: ‘dat mag u dan eerst wel eens zelf in de praktijk brengen,’ en demonstratief proest ik het uit en beaam het. Er volgt niets op dat de moeite waard is te herinneren. Pa wordt niet kwaad, hij bint alleen maar in. Hij probeert mij te bereiken met gemaakte, onspontane opmerkingen en vragen waarop ik geen antwoord wil geven. Als mijn moeder voor mij antwoordt roept hij boos: hij kan toch zélf antwoord geven?! Dat gebeurt heel vaak.

Of dat ik me niet genoeg verweer tegenover andere jongens. Nu, op witte donderdag 18 april 2019 denk ik: hoe durf jij dat van mij te vragen terwijl jij godverdomme als ik in bed lig aan mijn piemel kwam voelen, waar tot op de dag van vandaag mijn lies-spieren door vast gesmeed zitten! Hoe haal jij in je hoofd dat ik nog u tegen je moet zeggen?!

Ik zit aan tafel. Vader links. Om de ergernis die ik naar mijn vader en moeder voel, te verbergen, span ik mijn liezen, zodat mijn dijbenen zich sluiten. Ik knijp mijn anus dicht en mijn billen tegen mekaar. Ik krom de tenen in mijn sandalen, bedenk dat die open sandalen er zicht op geven, maar mijn voeten zijn nu toch onder de tafel.

(tot zo ver 7-7-2019)

 
Een reactie plaatsen

Geplaatst door op juli 7, 2019 in Uncategorized